CITATEN:
HET-NIETS CITATEN
KLAUS MANN: Tussen ons en het niets staat ons herinneringsvermogen, een problematisch en breekbaar bolwerk.
ECKHART: Gij moet God liefhebben als niet-God, niet-Geest, niet-persoon, niet-beeld, maar zoals Hij is, louter als het pure, absolute Ene, ontdaan van alle dualiteit, waarin we eeuwig moeten verzinken, van het niets tot het niets.R.B.JOYNSON: In het aanschijn van de dood, d.i. het niets, voelen we ons uiterst gefrustreerd, omdat niets kan worden gedacht of gevoeld met betrekking tot het niets.
ECKHART: Alle dingen zijn louter niets. Ik zeg niet dat zij nietig zijn of dat zij iets zijn, maar dat zij slechts niets zijn. Niets staat de kennis van God zozeer in de weg als tijd en ruimte, want tijd en ruimte zijn fragmenten, terwijl God één is! En daarom, als de ziel God wil kennen, moet zij hem boven de tijd en buiten de ruimte kennen; want God is niet dit noch dat, aangezien die gemanifesteerde dingen zijn. God is Één!ANONIEM:
Twintig miljard jaar geleden was er niets. Niets is; niet iets. Er was geen
licht en geen donker. Er was geen materie, geen energie, geen temperatuur.
Er bestond geen ruimte. Er bestond geen tijd. Er bestond niets.
Behalve: Er bestond een wil. Het was niet zo, dat deze wil een bepaalde
ruimte in beslag nam, want in het niets is geen ruimte. Evenmin was het
zo, dat deze wil gedurende een bepaalde tijd bestond, want in het niets is
geen tijd. Tussen de vijftien en de twintig miljard jaar geleden barstte
deze wil uit als een kracht, als energie. Daar waar zij ging ontstond
ruimte; daar waar zij brandde ontstond licht; daar waar zij licht gaf
ontstond tijd. Uit het niets maakte zij het iets. Daar waar het iets zich
samenbalde ontstond materie; uit de materie ontstonden de miljoenen
sterrenstelsels die sindsdien voortgejaagd worden op de kracht van de
oeruitbarsting, verder van de oerkern af - en die, al verder gaande, de
wereld maken, het heelal. Buiten de grenzen van hun voortgang bestaat nog
steeds; niet iets - niets.
LEONARDO DA VINCI: Het niets heeft geen centrum en zijn grenzen zijn het niets.
WILHELM SCHMID: Als er hierna niets meer is, kan dat mensen zeer in vertwijfeling brengen. Bovendien moet dan ook alles in dit ene leven gebeuren. Dat brengt een hoop stress met zich mee. Ik ben erg verwonderd over de stelligheid waarmee mensen zeggen dat met de dood het leven ophoudt. De moderne mens is trots op het feit dat hij niets gelooft, maar hier gelooft hij absoluut in. Dat vind ik vreemd.J.MOENS: In het begin was er niets, en toen ontplofte het ook nog.
Eckhart benadrukt dat God alleen gekend kan worden buiten tijd en ruimte, in het pure niets.
Pascal beschrijft de mens als zwevend tussen het oneindige en het niets, gevangen in onzekerheid en mysterie.
Leonardo da Vinci stelt dat het niets geen centrum of grenzen heeft.
Nietzsche en Spinoza worden genoemd als inspiratiebronnen, hoewel hun citaten hier niet direct zijn opgenomen.
Een anonieme passage beschrijft het ontstaan van het universum uit een wil die voortkwam uit het niets, wat leidde tot ruimte, tijd en materie.
J. Moens vat het humoristisch samen: “In het begin was er niets, en toen ontplofte het ook nog.”
Klaus Mann noemt herinnering als een fragiel bolwerk tussen ons en het niets.
Wilhelm Schmid wijst op de stress die ontstaat als men gelooft dat er na de dood niets meer is.
John Dryden stelt dat de dood op zich niets is, maar dat we bang zijn voor het onbekende daarna.
Deze citaten nodigen uit tot contemplatie over ons bestaan, de oorsprong van alles, en de grenzen van menselijke kennis.
JOHN DRYDEN: Dood op zich is niets maar wij vrezen het hoe en waar daarna, waarvan we niets weten.