LEVENDE
GEDACHTEN
x
OSHO
x
KRISHNAMURTI
x
MAHARISHI
x
MEHER BABA
x
SAI BABA
x
VIVEKANANDA
x
BHAGAVAD GITA
x
MYSTIEK
x
NIETZSCHE
SPINOZA
FILOSOFIE OVERIGE
x
I TJING  
x
THOMAS EVANGELIE
x
OVERIGE
x
CITATEN
x
TREFWOORDEN & LINKS
x
SITEMAP
x
HOMEPAGE

 

      FILOSOFIE: LEER DER GROTE DENKERS 

  BERGSON: DE SCHEPPENDE EVOLUTIE  

Hiermee komen wij thans tot de kern van Bergson's leer: het begrip van de scheppende evolutie.

Alle grote denkers uit de geschiedenis van de wijsbegeerte, zowel de idealisten als de realisten, zowel de spiritualisten als de materialisten, hebben zich op het standpunt van het verstand gesteld.

Zij onderzochten de betrekkingen tussen de voorstellingen en de dingen.

De realisten oordelen: de geest richt zich naar de dingen; de idealisten daartegenover houden vol: neen omgekeerd, de dingen richten zich naar de geest en ten derde is er dan nog een groep van zo te noemen parallellisten, die beweren: men moet aannemen, dat er tussen de dingen en de geest een verborgen harmonie bestaat.

Voor allen echter bestond de enige mogelijkheid, de voorwaarde om kennis van de wereld te verkrijgen in het hebben van voorstellingen, wier onderliggende betrekkingen door het verstand werden geanalyseerd en in de "wetenschap" werden ondergebracht.

Geen ander standpunt dan de drie, hierboven genoemde, hield men voor denkbaar.

En Bergson  komt nu plotseling tòch met een vierde.

Voor Bergson is niet de kennis, niet de wetenschap  het eerste, maar het afgeleide: het eerste is voor hem het leven; hij komt dus lijnrecht tegenover alle drie gene groepen te staan.

Voor Bergson is het leven iets diepers, iets van méér betekenis dan de abstracte wetenschap.

Te leven is iets fundamentelers dan te kennen.

Alle onderscheidingen, die wij maken, zoals: voorstelling en voorwerp, binnen en buiten, vallen weg, wanneer men zich op het standpunt van het leven, in plaats van het kennen stelt, zij vallen samen in de oorspronkelijke eenheid van het levensproces.

Het zijn secundaire onderscheidingen, die het verstand fabriceert om het leven in zijn gewone dagelijkse gang te leiden, te onderhouden, maar met het wezen van het levensproces zelf hebben zij niets te maken.

Het leven zelf is onophoudelijke verandering, een continuerend proces, niet samengesteld uit delen, maar iets dat in wezen één en ondeelbaar is.

Buitendien is het kenmerkend voor het leven, dat zijn veranderingen, zijn ontwikkeling naar de toekomst niet kan voorspeld worden: het leven is ongedetermineerde spontaneïteit, vrij scheppende energie, die onophoudelijk voortschrijdt en elk ogenblik volstrekt nieuw is.

Maar tegen dit denkbeeld van volstrekte  oorspronkelijkheid en onvoorspelbaarheid van de levensvormen komt ons gehele verstand in opstand. Ons verstand, zoals de evolutie van het leven het heeft gevormd, bezit als wezenlijke taak, ons gedrag vóór te lichten, ons actief ingrijpen in de dingen voor te bereiden, en om, voor een gegeven situatie de gunstige of ongunstige gebeurlijkheden, die er uit zullen kunnen voortvloeien, te voorzien. Dat verstand zondert dus van een ogenblikkelijke toestand instinctmatig datgene af, wat gelijkt op het reeds bekende: het zoekt hetzelfde op, om zijn grondbeginsel "dat hetzelfde hetzelfde voortbrengt" in de praktijk te kunnen brengen. Hierin bestaat dan het vooruitzien van de toekomst door het gewone verstand .. Zo komt het dan, dat het leven nog zo duidelijk onder onze ogen moge evolueren als een ononderbroken schepping van niet te voorziene vorm, toch houdt het denkbeeld stand, dat vorm, onvoorzienbaarheid en continuïteit louter schijngestalten zijn, die evenzovele  blijken van onze onwetendheid zijn ... Ik ben bereid toe te geven, dat het leven een soort mechanisme is, ... maar daaruit volgt nog niet, dat de scheidkunde en de natuurkunde ons de sleutel tot het leven moeten schenken. Een zeer klein stukje van een kromme lijn is bijna een rechte, Het zal meer op een rechte gelijken, al naar mate men dat stukje kleiner maakt. Bij de limiet gekomen, kan men zeggen wat men wil, dat het óf een kromme óf een rechte is. Inderdaad valt in ieder van haar punten de kromme lijn met haar raaklijn samen. Zo raakt ook het levensprincipe op elk willekeurig punt de natuur- en scheikundige krachten, doch die raakpunten zijn ten slotte niet meer dan aspecten voor een geest, die zich nu en dan stilstand verbeeldt in de beweging, die aan de kromme lijn het aanzijn geeft. In waarheid echter is het leven evenmin uit fysisch-chemische elementen samengesteld als een kromme lijn uit rechte.

Dit scheppende levensproces is èn de ware werkelijkheid èn tegelijkertijd het bewegende principe van het individuele leven en van de kosmos als een geheel.

In onszelf worden wij dit gewaar door middel van de intuïtie.

Dit uit het instinct geboren psychisch vermogen is het passende, volledige adequate middel om het concrete, individuele, continuerende, voortdurend scheppende van het levensproces, van de duur en de beweging in het algemeen te begrijpen.

Door intuïtie en sympathische aanvoeling, dit is: door het vermogen van het leven overal leven te herkennen, ontdekken wij leven en beweging, levensbeweging in de dingen en in de wereld als een geheel.

Want wij zelf zijn een onderdeel van de alles-omvattende komische beweging; alle werkelijkheid is in wezen éénzelfde manifestatie van éénzelfde levensimpuls, levensstuwkracht, van éénzelfde élan vital, zoals Bergson het uitdrukt.

Zo komen wij langs en omweg terug op het denkbeeld, waarvan wij waren uitgegaan, namelijk van een oorspronkelijke stuwkracht van het leven, die van de ene kiemen-generatie overgaat op de volgende door bemiddeling van de ontwikkelde organismen, die de verbindingsschakel tussen de kiemen vormen. Deze stuwkracht, zich handhavend langs de evolutielijnen, waarover zij zich verdeelt, is de diepe oorzaak van de variaties, tenminste van diegene, die zich regelmatig overplanten, die zich aan elkander rijgen en nieuwe soorten voortbrengen.

De werkelijkheid bestaat niet uit onveranderlijke elementen: zij zuiver een bewegend, scheppend, levend proces, waarin niets vast en statisch is, niets geïsoleerd en niets slechts uiterlijk met andere dingen verbonden.

Kortom: de werkelijkheid is scheppende evolutie

Het ware wezen van deze scheppende evolutie, van deze ware werkelijkheid  worden wij onmiddellijk in ons zelf gewaar, door onszelf gewaar, door onszelf door middel van onze sympathische aanvoeling in deze levensstroom op te lossen, in te voelen, in te leven.

Deze directe vorm van kennis noemt Bergson intuïtie, die, naar hij kenmerkend uitdrukt: "het starre van het begrip wil vervangen door het soepele van het leven."

De "begrippen" van de intuïtie zijn "vloeiend", plooibaar en dynamisch als het leven zelf en dus scherp onderscheiden van de begrippen van het verstand en van de statische logica, die het relatieve , uiterlijke, mechanische, starre en noodwendige willen begrijpen, terwijl de intuïtie door aanvoeling op het absolute, het continuerende, bewegende, levende, vrije ziet.

Dit voortdurende scheppende leven, waarvan elk individu en elke soort een proeve is, is voor Bergson tegelijk ook dit,wat alle godsdiensten genoemd hebben: God.

God en leven zijn dus één.

God is eindig en bij lange niet almachtig, hij is gebonden en begrensd door de stof en met moeite overwint hij de tegenstanders, slechts  stap voor stap komt hij vooruit, slechts moeizaam kan hij zich realiseren.

Hij is dus evenmin alwetend, hij stoot zich aan vergissingen, doch langzaam wordt het licht in hem klaarder.

Aldus begrepen is ook God niets volmaakts, niet iets dat voor alle tijden af is; ook hij is voortdurend schepping, herschepping, leven, actie, vrijheid.

Aldus begrepen is ook de schepping niet langer een mysterie;  wij ervaren het scheppen in onszelf, wanneer wij in vrijheid handelen, wanneer wij onze daden overleggen, ons leven "maken".

Bij al onze strijd en ons lijden, bij al onze verlangens en wensen, ons hopen en begeren zijn wij de organen van de wereldwil, van de grootse élan vital, die de ganse kosmos bezielt en omsluit.

Aan het einde van het derde hoofdstuk trekt Bergson dan de volgende mooie slotsom uit het geheel van zijn leer:

Zo zullen voor een wijsbegeerte, die het verstand weder tracht te doen opgaan in de intuïtie, vele moeilijkheden wegvallen of verminderen. Maar zulk een leer vergemakkelijkt niet alleen de wijsgerige bespiegeling. Zij schenkt ons ook meer kracht tot leven en tot handelen. Immers daarmee toegerust, gevoelen wij ons niet meer vereenzaamd te midden van de natuur, die zij beheerst. Evenals het kleinste stofdeeltje onafscheidelijk verbonden is aan ons gehele zonnestelsel, meegesleept als het wordt in deze ongedeelde benedenwaartse beweging, die de stoffelijkheid zelve is, zo geven alle organische wezens, van de laagste tot de hoogste, van de tijd der eerste levensvormen tot op heden, overal en ten alle tijden ons één en dezelfde impuls te aanschouwen, tegengesteld aan de beweging van der materie en in zichzelf ondeelbaar. Alle levende wezens zijn onafscheidelijk van elkander en geven toe aan dezelfde geweldige stuwkracht. Het dier vindt zijn steunpunt in de plant, de mens bouwt weer voort op het dierenrijk; en de gehele mensheid in de ruimte en de tijd is één groot leger, dat naast, voor er achter ieder onzer voortsnelt in een alles meeslepende aanval, in staat om allen weerstand uit de weg te ruimen en over tal van hindernissen te zegevieren, wellicht zelfs over de dood.