LEVENDE
GEDACHTEN
x
OSHO
x
KRISHNAMURTI
x
MAHARISHI
x
MEHER BABA
x
SAI BABA
x
VIVEKANANDA
x
BHAGAVAD GITA
x
MYSTIEK
x
NIETZSCHE
SPINOZA
FILOSOFIE OVERIGE
x
I TJING  
x
THOMAS EVANGELIE
x
OVERIGE
x
CITATEN
x
TREFWOORDEN & LINKS
x
SITEMAP
x
HOMEPAGE

 

      GESCHIEDENIS VAN DE FILOSOFIE    

  CONFUCIUS: VOLGELINGEN VAN CONFUCIUS  

MENCIUS

De stelling van Mencius aangaande de mens luidt kort en bondig: 'de mens is goed'.

'De menselijke natuur volgt het goede even spontaan als het water steeds naar beneden stroomt'.

Wij dragen in ons mede een ingeboren wetenschap, welker schatten wij slechts behoeven te voorschijn te helen, om de rechte weg te vinden.

Om het essentiŽle in te zien, behoeven wij niet de natuur te raadplegen (zoals Lao-Tse had geŽist), wij behoeven zelfs niet op het voorbeeld van de wijzen te zien, want 'hij is van hetzelfde maaksel als wij'; wij dragen allen de sleutel tot het harmonisch leven in ons en terwijl wij dit trachten te verwezenlijken, wordt van zelf de juiste maatschappelijke orde geschapen.

Als nu de mensen - iets wat Mencius natuurlijk evengoed ziet - zich in werkelijkheid geenszins om deze innerlijke wetten bekommeren, dan kan de oorzaak daarvan niet in de eigen natuur liggen - want die is in de grond goed, en de stem van het geweten spreekt in ieder onzer; de fout moet in de uiterlijke instellingen liggen, in de onvolmaaktheden van de maatschappelijke orde en in de fouten van de heersers.

NSUUN TSE

'De natuur van de mens is slecht, zijn goedheid is gekunsteld.

Want de mens heeft van nature reeds bij zijn geboorte de begeerte naar eigenbaat in zich.

Volgt men die, dan ontstaan twist en strijd, toegeeflijkheid en vriendelijkheid gaan te gronde.

Van zijn geboorte af bezit hij de begeerlijkheid van oog en oor, de lust in klanken en kleuren; volgt men deze, dan ontstaan twist en strijd, toegeeflijkheid en vriendelijkheid gaan te gronde.

Van zijn geboorte af bezit hij de begeerlijkheid van oog en oor, de lust in klanken en kleuren; volgt men deze, dan ontstaan ontucht en bandeloosheid en de lijnen van zede en recht gaan teloor.

Het toegeven aan de natuur van de mens heeft ten gevolge dat er twist en strijd ontstaat, dat men tot wildheid vervalt.

Daarom is de invloed van de opvoeding, van de weg tot zede en recht noodzakelijk, opdat toegevendheid en vriendelijkheid geboren worden. Zo beschouwd, is het zonder meer duidelijk dat de natuur van de mens boos is en zijn godheid kunstmatig'.

Dezelfde tegenstelling met Mencius handhaaft Hsuun Tse ook in zijn waardering van de ons omgevende natuur.

Terwijl wij volgens Mencius de uiterlijke natuur nauwelijks een blik waardig behoeven te keuren, maar de natuur in ons binnenste moeten beluisteren, eist Hsuun Tse de daadwerkelijke beheersing van de natuur door de mens:

'Gij roemt de natuur en peinst over haar:

Waarom niet haar bedwingen en regelen?

Gij gehoorzaamt aan de natuur en zingt haar lof:

Waarom niet haar hoop beheersen en gebruiken?

Gij ziet met vrome eerbied naar de jaargetijden en verwacht ze:

Waarom niet met passende werkzaamheden eraan beantwoorden?

Gij hangt van de dingen af en staart er verbaast naar:

Waarom niet uw eigen werkzaamheid ontplooien en ze wijzigen?

Gij overpeinst wat een ding niet zo voegen, dat gij ze niet verspilt?

Gij zoekt tevergeefs naar de oorzaak der dingen:

Waarom niet ze u eigen maken en genieten wat ze voortbrengen? ... '

 

TSJOENG YOENG

Met de leer van 'maat en midden' of van het 'gulden midden' hebben wij reeds kennis gemaakt in de ethiek van Confucius.

Deze leer krijgt in een door een kleinzoon van deze meester vervaardigd boek een metafysische wending.

Het gulden midden is niet alleen het richtsnoer voor de gedragingen van de edele en wijze mens, maar tegelijk het alomvattend beginsel van het Zijn - waarbij onzeker blijft, hoeveel van deze gedachten van Confucius zelf stammen en hoeveel van de kleinzoon.

De universele wet is 'harmonie': 'wanneer ons innerlijk Zelf en de harmonie verwezenlijkt worden, wordt het heelal tot (geordende) kosmos en alle dingen verkrijgen hun volle wasdom en ontplooiing'.

Deze algemene harmonie, die als wet aan de wereld ten grondslag ligt, moeten wij mensen in ons zelf verwerkelijken.

Trouw zijn aan zichzelf is de wet van de hemel; te pogen aan zich zelf trouw te zijn, is de wet van de mens.

In de ethiek van het Tsjoeng Yoeng komen passages voor van buitengewone grootsheid.

'De edel stelt eisen aan zichzelf, de laagstaande stelt eisen aan anderen'.

'De edele beweegt zich steeds zo, dat zijn gedrag te allen tijde als algemeen voorbeeld kan worden gesteld; zijn handelswijze is zo, dat zij te allen tijde als algemene wet kan dienen; en hij spreekt zo, dat zijn woord te allen tijde als algemene norm kan gelden.'

Dat komt bijna woordelijk overeen met de categorische imperatief van Kant!

 

TSJOE HSI

Tsjoe hsi die van 1130-1200 leefde, verenigde de oudste overlevering van het confucianisme, welks klassieke geschriften hij bewerkte en opnieuw uitgaf, en de daaruit voortgekomen verdere ontwikkelingen in een omvattend gedachtestelsel, dat sedertdien de grondslag van de neonconfuciaanse filosofie vormt.

Hij is uit dien hoofde voor de Chinese filosofie wat Sankara in Indie en Thomas van Aquino in Europa geweest zijn.

De beide grondbegrippen van zijn wijsbegeerte zijn (Li), een allesomvattende wereldgeest, en de materie (Ki), die daar tegenover staat.

Deze tegenstelling valt hem samen met die van Yin en Yang.

Beiden worden in onverbreekbare wederzijdse betrokkenheid gedacht.

'In het midden van hemel en aarde is Geest, is Materie.

Wat de Geest betreft, deze is ten aanzien van de verschijnselen de opperste norm, de wortel waaruit de dingen voortkomen.

Wat de materie betreft, deze is ten aanzien van de verschijnselen de benedenste grondslag, de stof waaruit de dingen voortkomen.

De Geest is nooit van de Materie gescheiden geweest.

Steeds is de geest ten opzichte van de verschijnselen het benedenste. Het is toelaatbaar te zeggen dat geest en materie oorspronkelijk geen vroeger en later kennen; indien men echter tot hun diepste oorsprong wil doordringen, zal men moeten zeggen dat de geest eerder is.

Dat wil niet zeggen dat hij een afzonderlijk, op zichzelf bestaanbaar wezen zou hebben; hij is veeleer in de materie vervat.

Zo er geen materie was, zou de geest geen basis hebben.

Indien de Geest bestaat, bestaan ook hemel en aarde; zonder de Geest bestaan noch hemel, noch aarde, noch dingen.

Indien de Geest is, dan is er ook materie, die alle dingen doet ontstaan en bewaart.

Indien men van hemel en aarde spreekt, dan is in de hemel en aarde het oerbeginsel vervat; spreekt men van alle dingen, dan is in alle dingen, en wel in elk afzonderlijk, het oerbeginsel voorhanden.'