|
GESCHIEDENIS VAN DE FILOSOFIE
DEMOKRITOS: ATOOMLEER VAN LEUKIPPOS EN DEMOKRITOS Het volle en het ledige. De elastische wijsgeren, in het
bijzonder Parmenides, hadden getoond dat veelheid, beweging, verandering, ontstaan en
vergaan niet denkbaar zijn, indien men niet een niet-zijnde, de volstrekte ledige ruimte
als werkelijk aanneemt; en daar hun deze hypothese onmogelijk scheen, waren zij er toe
gekomen beweging, veelheid enz. te loochenen en vol te houden dat alleen een
onveranderlijk Zijnde Is. Demokritos nu was enerzijds overtuigd
dat een volstrekt ontstaan uit het niets ondenkbaar is - het zou bovendien in tegenspraak
zijn met de stelling van Leukippos aangaande de noodzakelijkheid van al het gebeuren. Aan de andere kant scheen het hem ook
niet vol te houden met de Eleaten beweging en veelheid zo maar te loochenen.
Derhalve ging hij er toe over, in
tegenstelling tot Parmenides, toch een niet-zijnde, te weten de ledige ruimte, als
werkelijk aan te nemen. Dientengevolge bestaat de wereld
volgens Leukippos en Demokritos uit een ruimtevullend, vol iets, het zijnde, en een
niet-zijnde ledigheid, de ruimte. De atomen. Datgene nu wat de ruimte vult, het
'volle', is echter niet 'een'. Het bestaat uit talloze, vanwege hun
kleinheid niet waarneembare deeltjes. Deze deeltjes hebben geen ledig
binnen zich: daarom heten zij 'atomen', d.w.z. ondeelbare dingen. Leukippos en Demokritos, die hiermede
voor het eerst dit begrip schiepen, konden niet vermoeden, welke verstrekkende
theoretische en praktische betekenis het eens zou krijgen. De atomen zijn onvergankelijk en
onveranderlijk; zij bestaan alle uit dezelfde 'stof', maar zijn van verschillende grootte,
en in verband daarmede ook van verschillend gewicht. Alle lichamen bestaan uit
opeenhopingen van atomen. Vernietiging is niets anders dan de
oplossing van de tot nu toe verbonden atomen.
Primaire en secundaire
eigenschappen. Alle eigenschappen van de dingen
berusten op het onderscheid in vorm, ligging, grootte en ordening van de atomen, waaruit
zij zijn samengesteld. Aan de dingen zelf komen evenwel niet
alle eigenschappen, die wij eraan toekennen, in wezen toe: alleen zwaarte, dichtheid
(ondoordringbaarheid) en hardheid zijn wezenlijke kenmerken, voortkomend uit de natuur van
de atomen. Al het andere wat op ons de indruk maakt eigenschap van de dingen te zijn als kleur, warmte, reuk, smaak, klank - dat alles ligt niet in de dingen zelf, maar vindt zijn oorzaak in de eigenaardigheid van onze zintuigen en van ons waarnemingsvermogen, het is iets wat wij aan de dingen toevoegen, het heeft geen objectieve, maar louter subjectieve waarde, het is een 'secundaire' eigenschap, zoals met later zal zeggen. Volgens instelling en conventie is er
kleur en zoet en bitter, in werkelijkheid slechts atomen en het ledige.
Beweging van de atomen. In alle eeuwigheid bewegen zich de
ontelbare atomen volgens de wet van de zwaartekracht in de oneindige ruimte. Uit hun botsing en afstoting ontstaan
wervelbewegingen, waardoor atoomcomplexen gevormd worden. Daarbij sluit het gelijke aan het
gelijke en ontstaan de zichtbare dingen: in eeuwige wording en verwording ontstaan en
vergaan talloze werelden, tot een waarvan wij behoren. Geen bestierende en voorzienige geest
is nodig voor zulk een wereld, ook geen bewegende kracht, zoals liefde en haat bij
Empedokles. Maar evenmin is het ontstaan van een wereld product van louter toeval. Demokritos verwerpt dit uitdrukkelijk
als een verzinsel, dat alleen dient om onze onkunde te bedekken. Alles geschiedt veeleer met een
ijzeren, aan het zijnde inherente (immanente) noodzakelijkheid. De menselijke ziel. Ook de mens bestaat uit atomen, niet
alleen zijn lichaam, maar ook zijn ziel. De ziel is dus ook iets zuiver
lichamelijks, al is zij dan uit de fijnste, meest beweeglijke, ronde atomen gevormd. Na de dood worden de ziele atomen evenzo verstrooid als die van het lichaam.
|