FILOSOFIE: HET ABSOLUTE KLASSIEKE GODSBEWIJZEN EN HUN KRITIEK
Inleiding.
Als wij met de naam 'God' een wezen bedoelen groter dan welk niets kan gedacht worden, betekent dit dan niet, dat wij met de naam van God een wezen bedoelen dat in de werkelijkheid bestaat?
Daar anders, als het niet in de werkelijkheid bestond, wij aan iets groters konden denken.
De uitspraak 'God bestaat in werkelijkheid niet' houdt daarom een tegenspraak in, juist zoals het een tegenspraak is als men zegt, dat een driehoek geen door drie zijden omschreven figuur is.
Is daarmee bewezen, zoals Anselmus van Canterbury meende, dat wat men zich voorstelt als werkelijk bestaande (God), ook inderdaad in de werkelijkheid bestaat?
Dan zou een in gedachte voorgesteld biljet van f 100
hetzelfde zijn als een werkelijk biljet van f 100. S. Thomas verwerpt dan ook deze
a-priorische of analytische gedachtegang van Anselmus en zoekt het bestaan van God aan te
tonen, niet door een loutere begrips- of betekenisanalyse, maar door na te gaan - in het
licht van bepaalde niet-logische beginselen a priori - aan welke noodzakelijke voorwaarden
de werkelijkheid moet voldoen, willen haar in de ervaring gegeven kenmerken van
veranderlijkheid, werkzaamheid, contingentie, eindigheid, doelmatigheid of
doelgerichtheid, mogelijk zijn.
Afgezien van de vraag, of de details van zijn analysen juist of toereikend zijn, is het een punt van algemene, kenniskritische overweging, of de door hem gehanteerde niet-logische beginselen a priori voldoende draagkracht en evidentie bezitten, om zijn conclusies niet alleen gevolglijk, maar ook waar te maken.
Zeker is dat in de tegenwoordige tijd deze beginselen niet meer de algemene instemming vinden die zij vroeger bezaten.
Anselmus van Canterbury introduceert het ontologisch argument: als God het grootste denkbare wezen is, moet Hij ook in werkelijkheid bestaan—anders zou er iets groters denkbaar zijn.
Dit argument is gebaseerd op begripsanalyse en wordt beschouwd als een a-priorisch bewijs (zonder empirische waarneming).
Thomas van Aquino verwerpt Anselmus’ redenering: een gedachtebeeld (zoals een biljet van 100 gulden) is niet hetzelfde als de werkelijkheid.
Thomas zoekt bewijs voor Gods bestaan via ervaring en niet-logische beginselen a priori, zoals:
Veranderlijkheid
Werkzaamheid
Contingentie (toevalligheid)
Eindigheid
Doelgerichtheid
Er wordt getwijfeld of de niet-logische beginselen van Thomas voldoende draagkracht en evidentie hebben om zijn conclusies waar te maken.
In de moderne tijd is er minder algemene instemming met deze beginselen dan vroeger.