|
![]() PLATO: IDEEENLEER Eros als aandrift tot filosoferen. Alleen hij kan zich tot kennis der
Ideeën verheffen, die de wijsgerige drift bezit. Plato noemt deze 'Eros'. Hij geeft daarmede aan dit woord, dat
oorspronkelijk in het Grieks de liefde (teeldrift) aanduidde - ook de god van de liefde
heet Eros - een vergeestelijken en hogere betekenis. Eros is het streven om van het
zinnelijke naar het geestelijke op te stijgen; de drang van de sterveling zich tot
onsterfelijkheid te verheffen en tegelijk het verlangen deze drift ook in anderen wakker
te roepen. De onderste trap van deze Eros is de
lust in de schone lichaamsgestalte. Elk zich bezig houden met het schone
voedt deze drift, vooral de muziek, die als voorbereiding tot de wijsbegeerte moet worden
beschouwd, en de mathematica, daar deze leert van het zinlijke af te zien en de pure
vormen te beschouwen.
'Stel u voor: mensen in onderaards,
grotachtig verblijf, dat een lange naar het licht gekeerde toegang heeft. Hierin zijn zij van kindsbeen af
geboeid, zo dat zij op dezelfde plaats moeten blijven en het hoofd niet kunnen omwenden. Licht hebben zij van een vuur dat van boven, ver achter hen brandt. Tussen het vuur en de gevangen loopt,
boven langs een weg, waarvoor ge u een muurtje moet voorstellen. Achter die muur dragen mensen
allerlei voorwerpen, welke boven de muur uitsteken. Sommigen spreken, terwijl ze de
voorwerpen langs de muur dragen, anderen zwijgen. Een wonderlijk beeld noemt gij daar,
zei hij, en wonderlijke gevangenen. Die echter op ons gelijken,
antwoordde ik.
En hoe staat het met de voorbij
gedragen voorwerpen? Niet evenzo? Indien deze mensen nu met elkander
konden spreken, meent gij niet dat zij zouden geloven dat, wat zij zien en met woorden
aanduiden, hetzelfde is als datgene wat voorbij gedragen wordt? En indien hun kerker ook een weergalm
had, zouden zij dan niet denken, wanneer een van de voorbijgaande mensen spreekt? Maar stel u nu voor dat een van deze
gevangenen wordt bevrijd en genoopt plotseling op te staan, het hoofd om te wenden, te
lopen en in de richting van het licht te kijken, en dat dit alles hem pijn deed en hij
vanwege de flikkeringen niet in staat was de voorwerpen te zien waarvan hij de schaduwen
tevoren had gezien. Wat meent ge dat hij zou zeggen,
indien men hem verzekerde dat hij eertijds louter nietigheden had gezien, maar nu dichter
bij de dingen die in hogere mate werkelijkheid was; dat hij stond voor dingen die in
hogere mate werkelijk waren en dat hij nu juister zag?
Dit is, in verkorte vorm, het beeld
dat Plato in zijn beroemde gelijkenis van de grot, in zijn 'Staat', van het menselijke
leven en de menselijke kennis ontwerpt. De gevangenis is het evenbeeld van
ons gewone denken. Onze omgeving, zoals die zich aan
onze zintuigen vertoont, heeft de waarde van schaduw. Aan het opstijgen uit de grot en de
blik richten op de concrete voorwerpen beantwoordt de verheffing van de ziel tot de wereld
van de Ideeën. Wat zijn deze Ideeën? 'Wij nemen een Idee aan, zodra wij
een reeks van afzonderlijke dingen met dezelfde naam aanduiden.' Ideeën - Grieks: eidos of idea,
oorspronkelijk 'beeld, gestalte' - zijn dus vormen, soorten, algemene staten van Zijn.
De Ideeën bezitten volstrekte
werkelijkheid, ja, zij bezitten, zoals het beeld doet zien, de enige ware (metafysische)
werkelijkheid. De afzonderlijke dingen vergaan, de
Ideeën zijn onvergankelijk als hun eeuwige oerbeelden. Het is een wijsgerige kernvraag, of
het toelaatbaar is aan het algemene een hogere realiteit toe te kennen dan aan het
bijzondere, dan wel of, omgekeerd, alleen de bijzondere dingen werkelijk zijn en de
algemene Ideeën alleen in ons denken bestaan. Idee en wereld van de uiterlijke
verschijning. In tegenstelling tot zijn leermeester
Sokrates heeft Plato ook de zichtbare natuur mede in zijn wijsbegeerte betrokken. Daar echter alleen de werkelijke
Ideeën voor het denken toegankelijk zijn, kan de studie van de stoffelijke natuur voor
Plato slechts een secundaire betekenis hebben.
Onder dit voorbehoud heeft Plato in
zijn 'Timaios' een natuurwetenschappelijke verhandeling gegeven. Het hoofdprobleem, dat zich
onmiddellijk aan ons opdringt is het volgende: hoe komt eigenlijk de wereld van schaduwen,
die de zichtbare natuur is, tot stand? Blijkbaar zijn, aangezien toch ook de
beschouwing van de schone dingen tot de Ideeën kan voeren, de natuurlijke lichamen
afbeeldingen of verschijningsvormen van de Ideeën. Hoe komt het dan dat deze in een
hogere, zelfs 'aangene zijde van het Zijn' gelegen sfeer tronende Ideeën in de voorwerpen
van de zinnelijke wereld, al is het dan onvolkomen en verzwakt, tot aanschijn komen? Dan moet er naast de Ideeën nog een
tweede wezen zijn, om zo te zeggen een materiaal, een stof, waarin zij kunnen worden
afgebeeld! Plato beschrijft deze bestaansvorm in
de Timaios, ongetwijfeld in aansluiting aan Demokritos, als de (ledige) ruimte -
waarvoor wij wellicht met meer juistheid zouden zeggen: vorm van de uiterlijkheid, omdat
hierin niet alleen het naast elkaar, maar ook het na elkaar gegrond is. Het is ook mogelijk dat reeds Plato
met dit tweede beginsel in de meest algemene zin de 'Materie' heeft bedoeld, zoals na hem
Aristoteles heeft gedaan.
Het is echter duidelijk, dat er een
zekere kloof blijft bestaan: want zelfs indien deze twee beginselen werkelijk
bestaan, is nog niet in te zien, welke kracht bewerkt dat de Ideeën, op zichzelf staande,
in rust verkerende oerbeelden, zich in de stof zullen veruiterlijken. De platonisch filosofie kan dualistisch
genoemd worden, omdat zij de kloof tussen de twee laatste beginselen niet overbrugt. Eigenlijk is, om ze te overbruggen,
nog een derde beginsel nodig, dat tussen beide in staat, of dat boven beide staat. In zijn allerlaatste werken is Plato
hoe langer hoe meer er toe overgegaan hellen een godheid of wereldziel aan te nemen, die
deze functie op zich neemt. Hij uit deze gedachten echter niet in de vorm van een zakelijk betoog, maar bedient zich van een mythe - zoals in het algemeen bij Plato alle punten die een streng logische behandeling toelaten, door mythen zinnebeeldig worden uitgedrukt.
|