LEVENDE
GEDACHTEN
x
OSHO
x
KRISHNAMURTI
x
MAHARISHI
x
MEHER BABA
x
SAI BABA
x
VIVEKANANDA
x
BHAGAVAD GITA
x
MYSTIEK
x
NIETZSCHE
SPINOZA
FILOSOFIE OVERIGE
x
I TJING  
x
THOMAS EVANGELIE
x
OVERIGE
x
CITATEN
x
TREFWOORDEN & LINKS
x
SITEMAP
x
HOMEPAGE

 

      KRISHNAMURTI: EEN DRUPPEL ZEN IN IEDERS BEKER 

  WITTGENSTEIN: DE VLIEG EN DE FLES  

Menige commentator heeft Wittgenstein vergeleken met een zenmeester.

Hij schrijft verhelderend en bevrijdend.

Hij stelt zich voor dat hem zou worden gevraagd: 'wat is uw doelstelling in de filosofie?'

En antwoordt: 'de vlieg de weg te wijzen uit de fles'.

Hij gebruikt andere metaforen om dezelfde gedachte uit te drukken.

Taal, zegt Wittgenstein, betovert ons en houdt ons gevangen.

Het doel van de filosofie is, de betovering te verbreken: 'filosofie is een gevecht tegen deze betovering van onze intelligentie door middel van de taal'.

Ik beperk mij voorlopig tot een van de betoveringen die Wittgenstein verbreekt, namelijk die welke ons ertoe verleidt te geloven dat taal en inzicht afhankelijk zijn van het denken.

Ik noem het hier omdat dit heel veel lijkt op de zeepbel die Krishnamurti zo graag wil doorprikken.

We zullen zien dat Wittgensteins denken K's benadering deels onderschrijft en deels tegenspreekt.

De doorsnee zienswijze ten aanzien van de relatie tussen woord en gedachte zou ongeveer als volgt zijn.

De woorden die we uitspreken geven uitdrukking aan onze gedachten.

De taal is het medium waardoor de gedachten openbaar wordt.

Zonder gedachten zouden woorden alleen maar geluiden zijn.

Zonder woorden zouden de gedachten opgesloten blijven in onze eigen innerlijke werelden.

Er zou geen middel zijn om onze gedachten aan anderen mee te delen.

Daarom hebben we de gedachte nodig om de taal te begrijpen.

Wittgenstein toont aan dat deze zienswijze omtrent de relatie tussen gedachte en taal een drogbeeld is, dat ons in zijn ban heeft.

Het is verleidelijk, maar foutief beeld.

Taal heeft geen gedachte nodig.

Voor Wittgenstein zijn zowel de taal als het begrijpen geworteld in wat hij noemt de 'praktijk'.

Met andere woorden: we ontdekken de bedoeling van taal door het praktisch nut uit te proberen, niet door een verbinding te zoeken met de geestelijke inhouden die 'gedachten' worden genoemd.

Als we in de waan verkeren dat gedachten de taal tot leven brengen, wijst Wittgenstein erop dat we onze gedachten veruiterlijken.

Hij vergelijkt dit met de situatie waarin aan iemand gevraagd wordt een rode bloem uit een dichtbijgelegen weiland te halen.

Hoe weet die persoon welke bloem hij moet kiezen?

Stel dat iemand ons vraagt een rood voorwerp op te halen.

Volgens de theorie die Wittgenstein tracht te weerleggen is er een gedachte aan 'rood' in onze geest aanwezig en daardoor zijn we in staat het voorwerp dat we moeten ophalen te selecteren.

Nu stelt Wittgenstein ons voor de gedachte te veruiterlijken door een rode vlek te schilderen.

We kijken ernaar en pakken vervolgens het voorwerp dat overeenkomt met de kleur van de vlek die we hebben geschilderd.

Maar het is niet de vlek zelf die ons in staat stelt het juiste voorwerp te vinden.

Tenzij iemand het begrip 'rood' op een of ander manier in praktijk kan brengen, zal hij niet weten wat hij met de vlek moet doen.

Een rode vlek is levendig, maar overbodig.

Hij voegt niets toe. Hetzelfde geldt voor de 'gedachte' rood.

De gedachte is minder levendig en even overbodig als de vlek, om dezelfde reden.

Noch het uiterlijke beeld - de vlek - noch het innerlijke beeld - de gedachte - brengt de woorden tot leven.

Het denken is dus niet noodzakelijk voor het begrijpen van de taal.

Het handelen is de grondslag van de taal, waarvan de betekenis wordt bepaald door het praktisch nut.

De taal kan heel goed functioneren zonder een enkele, vluchtige gedachte.

We zijn overeengekomen de taal op een bepaalde manier te gebruiken en dit impliceert het volgen van de regels.

Zoals Wittgenstein opmerkt: 'als ik me aan de regels houd, kies ik niet.

Ik onderwerp me blindelings aan de regel'.

Dat houdt in dat ik mijn gedachten niet zodanig hoef te interpreteren dat dit vervolgens mijn handelen be´nvloedt.

Ik handel zonder meer.

Op het eerste gezicht doet dit alles wellicht denken aan een vorm van gedachteloos behaviorisme.

Menselijke wezens schijnen robots te zijn, onderworpen aan een slaafs gebruik van de taal.

Degenen die deze indruk hebben hanteren echter doorgaans het Cartesiaanse model van de geest.

Ik zit in mijn hoofd en be´nvloed de uiterlijke wereld door mijn lichaam te instrueren door middel van gedachten.

Op grond van dit model betekent het opgeven van het denken het einde van de mens zoals we hem kennen.

Hij zou een lege huls zijn die doet alsof hij leeft door te reageren op prikkels, met inbegrip van het geluid van woorden.

De waarheid is natuurlijk dat het juist dit model van de geest is dat Wittgenstein aan de kaak wil stellen als een illusie.

Hij rekent af met de kleine, mentale bestuurder van het hoofd.

Wat ik hier heb verteld is al voldoende om een duidelijk verband te zien tussen Wittgensteins inzichten betreffende de relatie tussen het denken en de taal en dat wat Krishnamurti leert omtrent de gedachte-vrije activiteit.

Beide filosofen zouden toegeven dat alle mensen gedachten hebben.

K. zegt dat de taal en het denken ons verhinderen onze werkelijke aanleg te verwerkelijken.

Als we beide benaderingen naast elkaar leggen dient zich een voor de hand liggende vraag aan.

K. zegt dat verlichting wordt bereikt door zonder nadenken te handelen.

Wittgenstein zegt dat we vanzelf al handelen zonder te denken.

Volgt daaruit dat iedereen in de grond van de zaak verlicht is, ofschoon velen dit wellicht niet beseffen?

Hoewel K. geen verwantschap met bepaalde religieuze stromingen erkent, doen zijn leerstellingen sterk denken aan de boeddhistische en tao´stische inzichten.

Een opvallend thema in vele boeddhistische stromingen is, dat eigenlijk ieder mens te allen tijde in de geest van Boeddha leeft, maar dat niet iedereen dit beseft.

Wittgenstein eigen antwoord zou waarschijnlijk een weigering zijn, zich als filosoof in dergelijke bewoordingen uit te laten.

Maar hij zou misschien wel zeggen dat zijn inzichten betreffende de relatie tussen het denken en de taal ons niet bij voorbaat het boeddhisme doen afwijzen.