LEVENDE
GEDACHTEN
x
OSHO
x
KRISHNAMURTI
x
MAHARISHI
x
MEHER BABA
x
SAI BABA
x
VIVEKANANDA
x
BHAGAVAD GITA
x
MYSTIEK
x
NIETZSCHE
SPINOZA
FILOSOFIE OVERIGE
x
I TJING  
x
THOMAS EVANGELIE
x
OVERIGE
x
CITATEN
x
TREFWOORDEN & LINKS
x
SITEMAP
x
HOMEPAGE

 

      MAHARISHI: DE WEG TOT HET ZELF 

  WIE BEN IK ?  

Het lichaam is gevoelloos als een aarden vat en voelt zich niet als 'ik'.

Maar ook in droomloze slaap, wanneer wij het lichaam niet gevoelen, zijn wij aanwezig: als Zelf (atman), dat in zichzelf rust.

Daarom is het lichaam niet het IK.

WIE BEN IK?

Waar kom ik vandaan?

In het hart van hen, die, geconcentreerd naar binnen schouwend, zichzelve deze vragen voorleggen, en innerlijk standvastig en stil, hun rustpunt in het Zelf vinden, dat in zich zelve straalt en volkomen is.


Wie ben ik? - mijn IK is niet dit tastbaar stoffelijke lichaam (stuhla sharira), noch de waarnemings-krachten der vijf zintuigen, of de vijf levenskrachten (prana), die de adem, de stofwisseling, de beweging, de uitingen en afscheidingen van het lichaam veroorzaken, noch het manas, met zijn opwellingen en gedachten - mijn IK is evenmin een van deze, als de loutere totaliteit ervan.

Ook ik ben niet het hulsel, gevormd uit die zaligheid, die allerinnerlijkst en onder al die omhulsels van mijn persoon mij in droomloos-diepe slaap omsloten houdt: de toestand van het onbewuste zijn, waarin de werkzaamheid van al die hulsels niet meer voelbaar is, terwijl hun krachten, als louter vermogens aanwezig, sluimeren.

Alleen dat, wat overblijft, wanneer men van dit alles afziet, kan 'IK' worden genoemd: zuiver innerlijk-zijn.

Wanneer het manas, als werktuig van alle waarnemen en ervaren en van alle handeling, uitdooft, verdwijnt de wereld der dingen daarmede.

De waan, dat een onschuldig koord, waarop men onverwacht in het donker trapt, een slang zou zijn, verdwijnt, zodra men de waarheid ervaart, dat het maar een koord is.

Evenzo verdwijnt de waan van deze schijnwereld pas, wanneer het Inzicht van het ware Zelf is verworven.

Het denkende manas is een geheimzinnige kracht (sakti) van het Zelf.

Wanneer alle processen in het manas zijn uitgeschakeld, blijft er niets over, dat nog manas zou kunnen genoemd worden.

Er is echter ook geen wereld, onafhankelijk van en buiten de processen van het manas.

De droomloze slaap kent geen manas-processen en daarom ook geen wereld.

Het denkend manas doet in waken en dromen deze wereld uit zichzelf tevoorschijn treden en zuigt die weer op, zoals een spin haar net uit zichzelve tevoorschijn brengt en op een ander tijdstip haar draad weer in zichzelve trekt.

Wanneer het manas met zijn eigen scheppingen en processen zich ontplooid, schept het de wereld en hierdoor wordt het Zelf verborgen.

Daarom: Wanneer iemand de wereld ervaart, dan ervaart hij het Zelf niet; ervaart hij het Zelf, dan verdwijnt de wereld.

Aanhoudend vragen naar het wezen van het manas verandert het manas in datgene, waaruit het 'IK' voortkomt, en dat is tenslotte het Zelf.

Het manas klampt, om te bestaan, zich altijd vast aan iets tastbaars (Stuhla), het kan niet onafhankelijk 'zijn'.

Het manas vormt het 'ijle lichaam', de levenskern (jiva) of het ik.

Vraagt men, waar het denkbeeld van het ik ontspringt, dan ervaart men, dat dit in het 'hart' is.

Wordt door innerlijk schouwen het manas in een punt geconcentreerd, dan kan deze plaats van het Zelf ontdekt worden.

De eerste, de voornaamste opwelling, de doorgedachte in het manas, is 'ik'.

Pas wanneer die geboren wordt, ontstaan talloze andere opwellingen.

Het manas is niets anders dan een bundel opwellingen; waarom kan het alleen door zulke vragen als 'wie ben ik?' tot rust komen.

Zoals een brandende spaander, die een brandstapel doet ontvlammen, tenslotte daarbij zichzelf tot as verteert, zo verteert de rusteloze bewegelijkheid van het manas - (dat allereerst de beweging naar de vraag 'wie ben ik?'

Doet ontstaan - en daarin alle andere opwellingen van het manas verteert) - tenslotte zichzelf tot er niets overblijft.

Wanneer ooit een opwelling in je manas opstijgt, die je naar buiten voert, volg haar dan niet, maar tracht de blik naar binnen te richten en vraag: 'in wie kwam deze opwelling op?'

Laat je niet van de wijs brengen, welke gedachten en opwellingen ook in je mogen opkomen, houd bij iedere opwelling, zodra die opstijgt, vol met de vraag: 'in wie kwam dit op?'.

Het manas van hem, die zich houdt aan dit vragen, blijft naar binnen gekeerd en wordt steeds opnieuw tot zijn oorsprong teruggebracht.

En alle opwellingen worden vernietigd op het ogenblik dat ze opkomen.

Houd je aan dit vragen en oefen je in het voortdurend naar binnen gekeerd Zijn en wees er zeker van, dat je manas aan zijn oorsprong wordt verbonden.

Weldra zal het daarin berusten en de strijd opgeven.

Pas wanneer het onstoffelijke fijne manas zich ontlaadt en zich door de hersenen en de zintuigen naar buiten toe projecteert, nemen namen (begrippen) en gestalten van de stoffelijke, tastbare wereld vorm aan.

Wanneer de impulsen van het manas, die zich naar buiten richten, onderdrukt en binnen het 'hart' gehouden worden en al zijn spanning zich naar zichzelf toe keert, dan is dat 'het naar binnen schouwen'.

Maakt het zich uit het hart los en houdt het zich bezig met het scheppen der stoffelijk-tastbare wereld, dan wordt dat 'naar-buiten schouwen' genoemd.

Blijft het manas in het hart besloten, dan zal langzamerhand de oergedachte 'ik' uitdoven, en wat overblijft, is het eeuwig Zelf (atman).

Deze toestand, waarin zelfs niet het geringste van de ik-voorstelling overblijft, heet 'Het aanschouwen van het Wezenlijke in eigen wezen'.

In de Vedanta wordt deze toestand genoemd: 'het aanschouwen van het Inzicht'.

Deze rust is niets anders dan die toestand van het manas, waarbij het in het Zelf verzonken en ermede versmolten is: Het is de onvertroebelde vorm, die het Zelf in zich zelve heeft.

Deze toestand heeft niets te maken met gedachtelezen, het op een afstand werken van de ziel, helderziendheid of 'het zich bewust zijn van de drie tijdsindelingen': verleden, heden en toekomst.

Zuiver wezenlijk is het Zelf in zijn eigen diepste wezen.

De uiterlijke wereld met alle wezens (jiva) met inbegrip van de over de wereld regerende Hoogste Heer (ishvara), is louter weerkaatsing, die zich aan het Zelf (atman) voordoet, als de glans van zilver op een stuk parelmoer.

Alle drie: de wereld, de wezens en de over de wereld heersende Hoogste God verschijnen tegelijk en verdwijnen tegelijk.

In de grond is het dat essentiŽle wezen van het Zelf, dat gezien wordt als wereld, ik (jiva) en Hoogste Heer; alle drie zijn in de grond 'het inwezen van shiva', d.i. het inwezen van het Zelf.