LEVENDE
GEDACHTEN
x
OSHO
x
KRISHNAMURTI
x
MAHARISHI
x
MEHER BABA
x
SAI BABA
x
VIVEKANANDA
x
BHAGAVAD GITA
x
MYSTIEK
x
NIETZSCHE
SPINOZA
FILOSOFIE OVERIGE
x
I TJING  
x
THOMAS EVANGELIE
x
OVERIGE
x
CITATEN
x
TREFWOORDEN & LINKS
x
SITEMAP
x
HOMEPAGE

 

      OVERIGE: HET BEGON IN HET PARADIJS  

  DE IK-MENS EN ZIJN TEGENSPELERS  

Het universum is een en ondeelbaar want het is een totaal.

Alleen waar het 'IK' ten tonele verschijnt splijt die totaliteit als bij toverslag in tweeŽn, niet in werkelijkheid, maar alleen voor het Ik-bewustzijn.

Want wie 'ik' zegt, onderscheidt zich zelf daarmede van het andere en al de anderen.

Wat de Ik-mens 'leven' noemt is niet anders dan een eufemisme (verzachtende uitdrukking) voor het feit dat hij geen weet heeft van het geluk der volkomenheid.

En wie niet volkomen is behoort tot de leegte der afgescheidenheid en is onafwendbaar dupe van de schaduwen ruimte, tijd en beweging.

Het 'ik' breekt de eenheid op, omdat het alle affiniteit met eenheid verloren heeft.

Dat is de afzichtelijke ellende, die vaart in het kielzog van het 'ik': de gespletenheid, de breuk in de continuÔteit.

Het 'ik' stelt een 'hier' en 'daar', een heden, verleden en toekomst, een 'jij' en een 'hij', een goed en kwaad, een hemel en hel.

Wie uitgerust is met vijf onvolkomen zintuigen, wie alleen in opeenvolging kan waarnemen, wie het heelal slechts kan onderkennen als driedimensionaal en voortgedreven door een dynamiek waarvan het wezen hem volkomen ontgaat, wie bovendien beschikt over een intelligentie welke daarbij past - die kan het universum onmogelijk zien als een totaal.

De universaliteit van het Ene Zijn is opgelost in de betrekkelijkheid van het ik-bewuste leven.

'IK' zit op de troon van het door hemzelf opgebouwde rijkje.

En in dat rijkje is alles beeld, alles illusie, alles droom.

Alleen in deze droom, die geheel 3-dimensionaal bepaald wordt, vergeleken met de tomeloze vaart der dromen uit zijn slaap, slechts een vertraagde film, waardoor de fenomenen de indruk geven van vastheid, stabiliteit, onvergankelijkheid: de ik-wereld der materie.

En hoe meer intellect hoe meer beeld, hoe formidabeler de illusies, hoe imponerende het machtsvertoon der waanvoorstellingen.

Ontstellend is die helse negatieve macht van het 'ik' en onontkoombaar.

Ieder ik-mens beschikt erover beschikt erover, vrijelijk en lijdt eronder, bovenmatig.

Want deze macht slingert hem uit de hemel van volheid, geluk en glorie in de afgrond der egocentrische armzaligheid.

Zo doolt het 'ik' door de hemzelf geschapen woestijn, die het leven noemt.

Het 'ik' is de eenzame, die zijn weg zoekt door een steriele wereld van bevroren gedachten, waar hij botst met de dingen, wezens en verschijnselen.

Het verstand houdt hem buiten ieder verband, ook dat met de gemeenschap, waar het schijnbaar opgenomen is.

Bij iedere poging tot binding, telkens als het dreigt opgenomen te worden in een collectiviteit, wijst het verstand op het onderscheid tussen hemzelf en de anderen.

En daarom is het 'ik' eenzaam, niet alleen in de stilte van het woud, het wijde veld, aan het strand van de zee, maar ook in de drukbevolkte straat of in gezelschap, een eenzaamheid waarvan het alleen de loodzware druk voelt en waarvan het nog niet begrepen heeft, dat ze het enige geneesmiddel is voor een gewonde ziel.

Zo schrijdt de IK-mens door de wereld van de tijd, door een onmetelijke wereld van illusies - tot de genadige dood zich over hem ontfermt.

Slechts een enkeling is zodanig begaafd dat een nieuwe wereld voor hem opengaat, die hem opvoert tot een status van hoger menszijn.

Het is of de bovenmenselijke figuren, die in de loop van de geschiedenis tot de wereld van de Ik-mens hebben gesproken, voor de weinigen zijn gekomen en voor wie zij tot in de eeuwigheid zullen komen - want tijd is niet.

Wie zich Zelf wil vinden, moet zich zelf verliezen.

Het koninkrijk der hemelen is binnen in U.

De mens is een strijdperk van twee tendensen.

De eerste is zijn herinnering aan de paradijstoestand, die heel stil, en bijna nooit bewust bemerkt, de diepten van zijn wezen vult.

De andere is zijn drang naar actie, zijn verlangen om opgenomen te worden in de maalstroom van actualiteiten en prikkels, die voor hem het leven schijnen uit te maken.

De eerste bindt hem aan de Ene Werkelijkheid, die hij God noemt.

Dit verklaart zijn telkens terugkerende neiging om alles los te laten, de stilte te zoeken en er zich in te verliezen.

De andere werpt hem telkens opnieuw in een schijnwereld, waarin het vele overheerst, waarvan de samenstellende factoren voortdurend wisselen zoals de steentjes en een steeds ronddraaiende caleidoscoop, de wereld van onrust, van boosheid en voosheid, angsten en strijd.

In deze domineert de verstandelijkheid en wel speciaal die verstandelijkheid, welke uiteendenkt en tegenstellingen schept.

Deze regelt zijn verhouding tot alles en allen, waarmee het leven hem voortdurend in aanraking brengt.