LEVENDE
GEDACHTEN
x
OSHO
x
KRISHNAMURTI
x
MAHARISHI
x
MEHER BABA
x
SAI BABA
x
VIVEKANANDA
x
BHAGAVAD GITA
x
MYSTIEK
x
NIETZSCHE
SPINOZA
FILOSOFIE OVERIGE
x
I TJING  
x
THOMAS EVANGELIE
x
OVERIGE
x
CITATEN
x
TREFWOORDEN & LINKS
x
SITEMAP
x
HOMEPAGE

 

      OVERIGE: HET CHRISTENDOM EEN WOLK VOOR DE ZON   

   

  GOD IS DE OORZAAK VAN ZICHZELF  

'Het was de dualiteit van de Zoon... de openbaring van het verborgene, de definitie van het ondefinieerbare, de individuatie van het ondefinieerbare, de individuatie van het ongeindividueerde, God als de Heer, die door zijn dualiteit bewijst, dat god zowel substantie is als kracht, liefde zowel als wil, vrouwelijk zowel als manlijk, moeder zowel als vader.' (Edward Maitland)

Een oorzaak brengt een gevolg teweeg: zonder oorzaak geen vervolg!

De theologische stelling: God is causa sui (de oorzaak van zichzelf) betekend naar de letter: als God er niet geweest was dan zou God er niet zijn.

Men wil hiermee waarschijnlijk uitdrukken, dat de 'levende God' niet geschapen is door de Godheid die er tevoren was, maar dat de levende God ontstaan is uit die Godheid, die van de ene toestand overging in een andere, van chaos in de doelgerichte energie, die zich openbaart in vele vormen.

Het Egyptische dodenboek zegt: 'Ra is de ontstane, maar niet geschapen god'; Ra is namelijk de eerste openbaringsvorm van Amoen, de onbekende god.

Lao-tse maakte onderscheid tussen de 'godheid-voor-den-beginne' van de 'levende god' als tussen 'naamloos-Tao' en 'naamhebbend-Tao': 'Het Naamloze is de oorsprong van hemel en aarde; Het Naamhebbende is de moeder van alle dingen.'

'Amoen' en 'naamloos-Tao' zijn namen voor de ongeopenbaarde godheid; 'Ra' en 'naamhebbend-Tao' zijn namen voor de zich openbarende, en dus levende, God.

Ra is dus niet geschapen, maar ontstaan uit hetgeen er tevoren was.

In het naamloos-Tao ligt de oorsprong (de Idee) van alle dingen, die in het naamhebbend-Tao geopenbaard worden; naamhebbend-Tao is daarom de Moeder van alle dingen.

De stelling: God is causa sui, kan dan aldus gelezen worden: eerst was er het onbekende, het naamloze, dat zowel substantie als kracht, moeder zowel als vader, receptief zowel als creatief was en in de toestand van chaos (niet-doelgerichte kracht) verkeerde.

Nadat de Idee (het denk-beeld Gods) ontstaan was, werd de chaos tot de potentiŽle moeder van alle dingen, doordat de vader (de intelligentie, het creatief beginsel) de grote moeder (de wateren) bevruchtte met het zaad van zijn Idee: 'en de geest ging over de wateren' (Gen 1,2).

De godheid ging van dode, onproductieve god over in levende, voortbrengende god; het collectieve onbewuste (het, sedert het ontstaan der volmaakte Idee, niet-denkende-willen) is zich in zijn vormen aan het bewust worden.

Het doel van het wereldgebeuren is: de wording van de bewuste persoonlijkheid door openbaring (involutie) en vergeestelijking (evolutie).

'Tao's actie is terugkeer tot zichzelf.

Kringloop is zijn beginsel' (Loa-tse).

De leerling weet de donkere anima volledig te distilleren, zodat zij zich in zuiver licht omzet' (Het geheim van de gouden bloem).

Bij Krishnamurti klinkt dat zo:

'Want het Zelf (de geest) is het eeuwige, het heeft geen begin en einde, geen dood en geen geboorte: het is.

Het beperkte-zelf (de ziel, atman), dat in elk mens aanwezig is, tracht die onaantastbaarheid te verkrijgen, welke de waarheid (het licht) is.

De verlossing bestaat uit het onaantastbaar maken (vergeestelijken) van dat zelf)'.

Vergelijk hiermee: Cor2 3,18 en Joh 8,32.

De ziel kan vergeestelijken omdat ze tot de geschapen dingen behoort en dus stoffelijk (energetisch) is.

God en zijn openbaring (de veelheid der dingen) gaan samen als eindig en oneindig, tijdloos en tijdgebonden, onbewust en bewust, universeel-potentieel-bewustzijn en individueel-actueel-bewustzijn; ze zijn beide eeuwige kracht en goddelijkheid. (Rom 1,20).

God en zijn openbaring kunnen door het denken onderscheiden worden, maar niet van elkaar ge-scheiden: God is de geest, die alles in allen werkt.

Het heel-al is de relatie tussen, en de eenheid van twee polen.

God is de met zichzelf gevulde ruimte en is zich zijn persoonlijkheid aan het actualiseren in de zielen die ‹bermensch, Homme du ciel, Ideaal mens aan het worden zijn.

God bezit slechts actuele persoonlijkheid in zijn openbaringsvormen en de potentie hiertoe is gelegen in de Idee (Gods beeld); de christelijke voorstelling van de persoonlijkheid Gods is een psychische projectie van het oerbeeld.

Het oog kan zichzelf nooit zien; het ziet hoogstens zijn spiegelbeeld in een spiegel.

Zo ook kan God zich slechts van Zichzelf bewust worden in zijn spiegelbeeld, d.w.z. in de veelheid der objecten die de verkeerde kant van God zijn, Gods achterste (ex 33,23).

Bewustzijn is ieders relatie tussen het innerlijk en het uiterlijke. Wanneer wij de godheid het subject van het wereldgebeuren noemen en het geschapene het object daarvan, dan geeft de relatie van subject en object aan ieder individu zijn bewustzijn.

De groei van 'het vermogen van bewustzijn' van universeel-potentieel-bewustzijn (het collectieve onbewuste) via actueel-individueel-bewustzijn (het nirwana of koninkrijk des hemels) is onze evolutiegang.

Het koninkrijk des hemels is namelijk geen gebied ergens in het heelal, maar een innerlijke toestand van realisatie.

De geleidelijke vergeestelijking van de individuele ziel brengt natuurlijk verandering in de subject-object-relatie en dus in de bewustzijnstoestand.

De geestelijke evolutie is een bewustzijns-verruiming.

Goethe's woorden: 'de natuur is het levende kleed der Godheid', betekenen, dat het heelal - alles wat er is - moet worden gezien als een relatie tussen twee polen, God en de wereld, de polen hebben geen zelfstandig bestaan los van elkaar, ze bestaan slechts krachtens elkaar.

Voordat God zich openbaarde, was hij de Verborgene, de Onbekende, Amoen.

Het grondwezen van alles is het onbewuste (Fechner), het vrije nietwetende denken (Schelling), en dit 'eeuwige onbewuste, om zo te zeggen de eeuwige zon in het rijk der geesten, dat zich door eigen onverduisterd licht verbergt,is tegelijk hetzelfde (collectief) voor alle intelligenties'. (Schelling).

Zo zag ook Paulus het: 'Het is dezelfde geest, die alles in allen werkt.' (Cor1 12,4-6)

'God maakt zichzelf, en zo zeker als hij zichzelf maakt, zo zeker is hij niet het onmiddellijke en van den beginne af voorhande.' (Schelling).