LEVENDE
GEDACHTEN
x
OSHO
x
KRISHNAMURTI
x
MAHARISHI
x
MEHER BABA
x
SAI BABA
x
VIVEKANANDA
x
BHAGAVAD GITA
x
MYSTIEK
x
NIETZSCHE
SPINOZA
FILOSOFIE OVERIGE
x
I TJING  
x
THOMAS EVANGELIE
x
OVERIGE
x
CITATEN
x
TREFWOORDEN & LINKS
x
SITEMAP
x
HOMEPAGE

 

      OVERIGE: HET BEGON IN HET PARADIJS  

  IK, JIJ, HIJ, WIJ  

Alleen door 'ik' te zeggen heeft de mens de wereld in tweeŽn gesneden, waarbij hij het grootste deel voor zichzelf reserveerde.

In de ik-mens is de universaliteit van het Ene Zijn omgezet in de betrekkelijkheid van ik-bewust beleven.

Alleen 'ik' bepaalt wie 'jij' of 'hij' of 'u' of 'jullie' of 'wij' is.

De anderen hebben niets te beweren en zijn gedwongen de hun toegemeten rol te spelen.

Op hun beurt doen ze hetzelfde door ook 'ik' te zeggen.

Er bestaat geen machtiger dictator dan 'ik': het bepaalt hoelang nu zal duren, een duizendste van een seconde, een jaar, al wat het belieft.

Ook bepaalt 'ik' of hier een vierkante millimeter is of een hectare, een heel land of de planeet of het universum.

Het kan dit gevoeglijk doen, daar 'hier' uit de schepping zou wegvallen als er geen 'ik' was.

Het ik-bewuste is de eenzijdige openbaring van het potentionele in een menselijk bewustzijn, waarbij dan de ideŽle en reŽle factoren sterk verzwakt zijn.

Het is uitsluitend het ik-beginsel dat de mens in de weg staat bij het verwerven van een hogere status.

Wanneer 'ik' het woordje 'hij' uitspreekt, verwijdert het zich nog heel wat verder van de eenheid met zijn hemelse Vader dan wanneer het zich beperkt tot 'jij'.

Het subjectieve aanvaarden van wat door de eigen zintuigen binnenkomt en door het eigen denkvermogen verwerkt wordt, schept de eigen ik-wereld.

Het is steeds deze subjectieve gerichtheid, welke de gevangenis vormt, die de ik-mens afsluit van de volheid van het totaal en de glorie der eeuwigheid.

'Wij' is voorproef van de hemel na de overwinning op het aardse vagevuur van het individualisme, van de veertigjarige tocht door de woestijn, de slopende verlatenheid van de zengende wereld der drie dimensies.

Eens, in het opbloeiende wonder van de mystieke eenwording, kan de mens geen 'ik' of 'jij' meer stamelen.

Dan golven alle door mensen bedachte vormen weg en transformeert zich alle vormelijkheid tot de vormloze volmaaktheid van het Ene Zijn.

Er zou geen 'hier' zijn noch een 'nu', als er geen 'ik' was, dat deze woorden uitsprak of dacht.

Ze behoren tot de monopolies van het 'ik'.

Zonder 'ik' bestaat er uitsluitend oneindigheid en eeuwigheid en bijgevolg eeuwigheid, onontkoombaar.

De mens bouwt zijn eigen wereldbeeld op met zijn eigen vermogens.

Dit betekent, dat hij ook zijn eigen hemel schept en zijn eigen hel.

De ik-mens, met zijn bewustzijn gericht op het 3-dimensionale, kan niet anders dan zijn gehele leven tobben over materiele aangelegenheden.

Hij kan niet anders dan behoefte te hebben aan dingen.

Hij kan daarbij niet laten de driften te volgen van zijn 'ik', vechten voor zijn bestaan, voor een nam, een positie.

En omdat hij gedoemd is daarbij in conflict te komen met zijn mede mensen, is dit gehele bedrijf barbaars.

Op groepen en volken rust hetzelfde fatum: egoÔsme in het groot.

De mens heeft behoefte aan een 'hier' en een 'nu', aan een 'mijn' en een 'dijn' en daarmede is hij dan zo druk bezig, dat hij volkomen vergeet dat het onzienlijke, het eeuwige, het totale, hem onophoudelijk aanstaren en hameren op de deur van zijn hecht gesloten ik-huisje.

De ik-mens kan onmogelijk anders dan bij waandenkbeelden zweren, omdat hij uitgaat van de waan, dat, wat hij zelf als niet-ik heeft ingesteld, inderdaad beantwoordt aan de voorstelling, die hij ervan maakt.

Deze primordiale (in eerste aanleg) waan voert alle andere in zijn gevolg mee.

Voor wie waarlijk stil is, is alles stil.

Voor wie in beweging is, is alles beweging.

Statica en dynamica zijn twee wijzen, waarop de mens de wereld kan benaderen om met de verkregen impressies een eigen wereld op te bouwen.

De mens is een slingering tussen hemel en aarde, tussen het ene en het vele.

Voor zijn gevoel kan hij zich met geen van beide geheel verenigen.

Wij zijn passanten in het aardse huis van illusie en vaste bewoners van het Huis des Heren.

Het tragische in de mens is, dat hij de wereld ondergaat als het onvolledige, het onvolkomene, om de eenvoudige reden, dat zijn waarnemingsorganen en zijn hersenen, waarop hij gewend is zich te verlaten, alleen maar in staat zijn hem onvolkomen wereld voor te toveren, doordat ze zelf onvolmaakt zijn.

De wereld zelf echter kan alleen maar volmaakt zijn: ze kan 7-dimensionaal worden ervaren.

Het meer dan 5-dimensionale waarnemen schept een wereld van oneindigheid ten opzichte van het 5-dimensionale waarnemen (d.i. het waarnemen met behulp van vijf zintuigen).

Dit betekent dat dan al het 5-dimensionale ervarene omslaat in zijn tegendeel:

afstanden worden oneindigheid,

hier en daar worden overal,

ik, jij en hij worden wij,

het nietigste pluisje blijkt het totaal,

beweging wordt stilstand.

Alle beginnen en eindigen, alle worden en vergaan bestaan slechts in het voorstellingsvermogen van degenen, die gebonden zijn aan tijdruimte en beweging.

Wie ergens geboren wordt, sterft ergens anders.

En omgekeerd:

Wie sterft is juist in een andere dimensie geboren.

Wie geboren wordt is juist in een andere dimensie gestorven.

Geen kennis verzekert eenheid met het Totaal, met God.

Een weinig kennis voert af van God.

Meer kennis voert af van God.

Meer kennis leidt tot ontkenning van God.

Veel kennis, welke zichzelf ontkent, berust op wijsheid,

welke leidt tot de diepste vormen van bewustzijn.

Het verkeerde zit 'm niet in de wereld maar steeds in de beschouwer, die niet in staat is het noodzakelijke aantal dimensies aan te wenden.

Daardoor wordt de wereld van de gewone mens er een van afstand en afgescheidenheid in plaats van de oorspronkelijke eenheid, van individualisme in plaats van broederschap; van materialisme, bijgeloof en wangeloof, van haat, onverdraagzaamheid en duistere drangen, waar geestelijke waarden alleen moesten gelden, liefde, begrip, schoonheid, stralend licht.

Het begrip eeuwigheid kan men het best benaderen door eeuwigheid te beschouwen als een toestand.

Men kan in deze toestand geraken wanneer men in staat is al het bewegende niet langer als zodanig te ervaren, zodat de tijd tot stilstand komt.

Dit heeft tot gevolg, dat het 'ik' op de achtergrond wordt gedrongen, omdat het zelf gebonden is aan beweging.

Dan vervloeien de verlangens, de rimpelen der gevoelens worden glad gestreken, de wereld der drie dimensies zinkt weg, de aandringende gedachtegolven hebben een andere koers genomen.

Deze toestand zonder ik, zonder beweging en tijd betekent geen leegte, maar volstrekte volheid, dat wil zeggen, geluk, zaligheid.

Men behoeft niet tot zijn dood te wachten om met deze vorm van eeuwigheid te experimenteren.

Het vele bestaat alleen als vergankelijke grootheid in het voorstellingsvermogen van iemand die, met behulp van zijn zintuigen, waarneemt in opeenvolging.

Heden, verleden en toekomst zijn de ongeboren kinderen van dezelfde moeder: de eeuwigheid.

Hier, daar, ginds, nergens zijn de ongeboren kinderen van dezelfde moeder: de oneindigheid, die een is en ondeelbaar.

Het heden is een niet bestaande, onophoudelijke voortschrijdende lijn, waarmede een niet bestaand verleden terrein wint op een evenmin bestaande toekomst.

Niets staat de mens zo na als 't Niets, waaruit het al geboren wordt.

De pessimist: Het is later dan u denkt!

De optimist: Het is vroeger dan u denkt!

De wijze: Het is niet vroeger en niet later!

Wie slechts kan waarnemen in opeenvolging neemt noodzakelijkerwijs beweging op onder de illusies, welke hij aan zijn zintuigen ontleent.

Beweging is de subjectieve interpretatie van wat, uit een hogere dimensie bekeken, stilstand is.

Objectief is al datgene wat voor ieder geldt, ook al is de interpretatie ervan verschillend voor ieder individu, dat op alles de stempel drukt der eigen subjectiviteit.

Het universele, God, Brahma, ontsnapt aan iedere bepaling om de eenvoudige reden dat het alles omvat - alle wezen en alle schijn.

De schijn is het deel van elk middelpunt van bewustzijn, dat, krachtens zijn aard, niet totalitair kan waarnemen en op subjectieve interpretatie is aangewezen.

De oorspronkelijke eenheidswereld - die nimmer ophoudt een eenheidswereld te zijn - is het dualistisch bewustzijn van de mens uiteengevallen in een veelheidwereld.

De magische sleutel, die de poort kan openen tot de weg terug, berust bij hem zelf.

Wanneer men spreekt van de alomtegenwoordigheid Gods bedoelt men, dat in het door Hem geschapen universum, dus in het Totaal, alles altijd (dus gelijktijdig) overal is.

Iedere sport hoger op de ladder der dimensies doet onmiddellijk de onderliggende uit het gezicht verdwijnen.

De verdraaiingen, welke de lachspiegels in een kermistent vertonen van ieder, die er in kijkt, zijn kinderspel vergeleken met wat onze zintuigen ons ieder ogenblik van de dag voortzetten in verband met wat men noemt de buitenwereld.

Het menselijk gehoor preludeert op ontsnapping uit het kader der drie afmetingen.

Het verheft ons boven het begrenzende stoffelijke en introduceert het gloren van een nieuwe dageraad.

Want het gehoor is het medium, dat ons binnenleidt in een wereld van verfijnde emoties en diepere belevingen.

Naar een alledaagse wijze van voorstellen, zij het dan een ietwat dichterlijke, ligt het verleden inert in de schoot van de tijd.

Alleen is men geneigd aan te nemen, dat het potentieel aanwezig is in alles wat wij rekenen tot het heden.

Maar ditzelfde moet evenzeer gelden voor de toekomst, die eveneens potentieel aanwezig moet zijn in ieders leven.

Heden, verleden en toekomst vormen dus een onverbrekelijke eenheid. Deze wijze van wat men verstaat onder totalitair waarnemen.

Afstand wordt even effectief verkregen door grote verschillen in denken, gevoelen en handelen als door fysieke gescheidenheid.

De zogenaamde veelheidwereld is een onmiddellijk resultaat van de wijze waarop de mens de eenheid probeert te benaderen met menselijke vermogens.

Daar het woord plaats slechts een illusie is in de menselijke wijze van aanschouwen, opgeroepen door het eigen bewustzijn, is de aarde geen slechtere plaats om de Schepper nader te komen dan de hemel, welke immers eveneens afhankelijk moet zijn van de wijze waarop wij de dingen des levens benaderen.

Het is de Schepper, het voor de mens onbenaderbare Totaalbewustzijn, die ziet door de miljarden ogen der mensen, hoort met hun miljarden oren, denkt met hun miljarden denkvermogens.

Al deze faculteiten vormen een intrigerend deel van het machtige bewustzijn, dat de gehele kosmos schept, doordringt en draagt, dat deze eeuwig roept tot bestaan, onderhoudt en vernietigt, terwijl de individuele mens alleen voor zich zijn subjectieve indrukken ervaart en voor zichzelf interpreteert.

Al wie beseft, dat er geen enkelingen zijn dan in eigen verbeelding, dat er geen op zichzelf staande feiten zijn, want ze hangen alle samen, en dat er geen dingen zijn maar slechts vertraagde gedachten - die is op weg naar totalitair denken.

Te zijn of niet te zijn.

Te zijn houdt in: onbenaderbaar voor voorstellingen en dus ook voor tegenstellingen, gepaard gaande met verduistering van alle ik-besef.

Te zijn houdt in: totaal zijn.

Niet te zijn betekent: verloren te zijn in een niet droog te leggen meer van voor- en tegenstellingen, wat inhoudt: onderworpen te zijn aan alle illusies welke ik-besef meebrengt.

Als middelpunt van de Schepper overal is en Zijn omtrek nergens, dan is uw middelpunt noodzakelijkerwijs ook het Zijne.

En dan kan Uw begrenzing nergens anders bestaan dan in uw eigen, individuele bewustzijn.

De Ik-mens, die zich in zijn 'ik' als afgescheiden ervaart, alleenstaand, heeft behoefte aan zekerheden, individuele en sociale zekerheden.

De boven-iks levende mens heeft geen behoefte aan zekerheden, hij bestaat, hij is - en dat is zijn absolute zekerheid.

Een onder-iks wezen ervaart zijn ik-status zo ondenkbaar zwak, dat het nog niet aan zekerheden toe is.

Het aanvaardt alles zoals het komt. 

Alle stadia van wat de mens - met zijn waarneming in opeenvolging - ontwikkeling of evolutie noemt, zijn altijd, dus gelijkertijd, aanwezig in een wijder bewustzijn dan het zijne.

De mens is geneigd aan een individu in tijd te willen waarnemen, wat in de natuur voortdurend over een groot aantal is verspreid.

Daar zijn ononderbroken miljarden graden van ontwikkeling te constateren, verspreid over talloze individuen.

De mens gaat in onze dagen steeds meer uit van de gedachte, dat dit alle stadia zijn welke hij nog moet doorlopen of reeds doorlopen heeft.

Hem ontbreekt totalitair besef.

Innerlijke rijkdom is een volmaakte afscherming tegen wat men gewend is buitenwereld te noemen.

Dit soort rijkdom schept automatisch afstand en weert daardoor alle schijn, dus ook schijnheiligheid, alle ijdelheden, leugen, bedrog.

Ze vertegenwoordigen een goed gesloten tempel, waarin een eeuwig brandend vuur licht en warmte verspreidt, terwijl de enige bewoner de enige de enige hogepriester is en tegelijkertijd de gehele congregatie.

Te willen spreken van het 'begin van het leven' is even onlogisch als te zeggen, zoals de schrijver Stromberg doet in zijn boek 'De ziel van het heelal': een ziel is onvernietbaar en onsterfelijk.

Evenals de enkeling heeft ze wel een begin maar geen einde.

Iets dat wel een begin en geen einde heeft, is onbestaanbaar.

Wat geen einde heeft, kan nooit begonnen zijn en wat begint moet een einde hebben.

Het leven kan niet begonnen zijn.

Het is een veeldimensionaal gegeven, dat slechts ruimte- en tijdloos gedacht kan worden en ieder door een mens te vormen begrip te boven gaat.

Er is alleen leven in eeuwigheid.

Ook intelligentie kan niet beginnen, niet geboren worden, niet evolueren.

Intelligentie is een functie van het creatieve vermogen in de kosmos.

Ze is ruimteloos en tijdloos, evenals de wijsheid en de liefde.

Het wonderbaarlijke menselijke lichaamstotaal -- een microkosmos wordt voortgebracht, onderhouden en vernietigd (overeenkomstig de drievuldig aard van ieder scheppingsproces) met behulp van een macht, een toewijding en een creatief vermogen (deze drievuldig aard van een totaal in actie), welke alles in de schaduw stellen wat de individuele mens in zijn gevoel van afgescheidenheid ooit zal kunnen benaderen.

Af en toe kan een mens in zijn leven de invloed gewaar worden van een hogere macht die de leiding neemt wanneer het gaat om een fundamentele beslissing, waarvan hijzelf de consequenties niet kan overzien.

Dan kan hij tot het inzicht komen, dat hij zijn diepst ingrijpende stappen, die het gehele verdere leven betreffen, ja beslissen over leven en dood, doet in het donker, terwijl een ander deel van zijn wezen verkeert in het volle licht.

Ieder mens, in welke omstandigheden hij ook verkeert, ervaart de wereld in volkomen overeenstemming met zijn aanleg en vermogens, dus zoals hij alleen ze zien kan.

De hemel en de hel, met alles wat daartussen ligt, zijn altijd overal aanwezig, daar deze steeds door de mens zelf opgeroepen worden.

Deze subtiele toepassing van het menselijk lot heeft tot gevolg, dat ieder mens, hoever ook de grenzen van zijn vermogens reiken of hoe smal zijn levensvisie is, dat deel van hemel of hel binnenhaalt, dat precies bij hem past.

Ieder mens heeft het vermogen stil te worden, zij het dan ook, dat dit vermogen slechts langs spontane weg wordt aangewend.

Dan verliest hij zich in zichzelf, hij zinkt weg in eigen - onvermoede - diepten, waarheen het 'ik' hem niet kan vergezellen.

Dan is hij heel dicht bij zijn Vader in de hemel, veel dichter dan hij verstandelijk ooit bevroeden kan.

Meer getrainde zielen wenden dit vermogen ook bewust aan door meditatie of gebed of met behulp van ceremonieŽn en muziek.

Hun aantal is echter gering.

Maar voor niemand is deze genadeweg der stilte gesloten.

De grote leraren der mensheid hebben er allen de nadruk op gelegd, dat de 3-dimensionale wereld er een is van schijn en dat de mens zich naar binnen moet keren om de volheid des levens te ervaren.

Maar de Ik-mens, door eigen uitrusting gebonden aan een door hemzelf geschapen 3-dimensionale wereld in beweging, staat niet open voor een leer, waaraan hij niet toe is.

Voor hem bestaat n.l. geen universaliteit, geen totaliteitsbesef, geen koninkrijk der hemelen, geen zaligheid, geen stilte, geen liefde, geen scheppingsvreugde.

Deze bestaan hoogstens voor hem als begrippen, waarmede hij zich verstandelijk kan vermeien, maar die nooit werkelijkheid kunnen worden, omdat zijn punt van uitgang is: ik hier - en de anderen daar.

Als afgescheiden Ik-mens is hij gedoemd het verhevene te benaderen met vermogens welke daartoe ontoereikend zijn.

En het resultaat is ontstellend.

Hij keert het verhevene in zichzelf om en maakt er een afzichtelijke karikatuur van, die hij, de ik-mens, daarna als normaal beschouwt.

En de gevolgen?

De verheven stilte, attribuut van de potentialiteit in hem, zet hij om in gerucht en geraas: de onhoorbare wiekslag van het gevogelte des hemels degradeert hij tot het schrikwekkende, alle verhevenheid vernietigend gedonder van de motoren zijner vliegmachines.

De stil voortschrijdende voetstappen van de mens op zand, mos of gras, verkeert hij in het gestampt van zware soldatenlaarzen en het gerucht van daverende gevechtswagens.

De stilte in de natuur zet hij om in gekrijs en gejoel of snijdt ze in flarden met de helse klanken van radiotoestellen - speciaal voor dat doel meegevoerd.

De liefde van de idealiteit wordt verkracht tot seksualiteit, jalousie, haat.

De zaligheid van het scheppend moment ontaardt in een wilde productie, die grote winsten moet waarborgen.

Dat is de wereld van de ik-mens, die van het driedimensionale in beweging.

Wie naar eenheid streeft, moet beginnen zijn 'ik' te neutraliseren.

Het is geneutraliseerd, wanneer het alle naar zich toehalende werkzaamheid heeft gestaakt.

Het heeft dan niet langer de behoefte te putten uit de veelheid, maar het wil een doorgeefstation van krachten zijn in overeenstemming met eigen aard en vermogens.

Als men zegt dat iemand iets 'wil' dan is dit een verzachtende uitdrukking voor: wat hij niet laten kan te doen.

Zijn besluiten worden n.l. bepaald door het sterkste verlangen of door de voorstelling welke het krachtigst spreekt tot zijn verbeelding.

Deze verlangens en voorstellingen zijn in overeenstemming met 's mensen aanleg en vermogens, met het milieu waarin hij leeft en met speciale tijdsgewricht, waarin zijn bestaan zich volstrekt.

Met 'wil' heeft dit alles niets te maken.

Men zou slechts van 'willen' kunnen spreken in verband met een individu dat in staat was in absolute vrijheid beslissingen te nemen.

Dit zou betekenen, dat hij door niets gebonden was, dat hij een volkomen zuiver, een volkomen onpersoonlijk middelpunt was, dat in staat is universele tendensen ongerept door te geven.

En hij zou dan in volle vrijheid kunnen beantwoorden aan de tendens in overeenstemming waarmee hij geboren was.

Dingen gebeuren slechts wanneer de innerlijke dispositie van een individu correspondeert met kritische toestanden in het totaal.

Vandaar de oneindige verscheidenheid van reacties waarvan men doorlopend getuige kan zijn: onder soortgelijke omstandigheden reageert de bezadigde anders dan de onstuimige, de beschaafde anders dan de wilde, de filosoof anders dan de onnadenkende, enz.

Wanneer men over evolutie spreekt, denkt men gewoonlijk aan lineaire ontwikkeling in tijd.

Maar in het Totaal bestaat geen lineaire ontwikkeling, kan daar niet bestaan, omdat eenrichtingsverkeer daar onbekend is, aangezien alles altijd overal is.

Dingen bezit men individueel, ideeŽn deelt men met anderen.

Vandaar dat bezit de mensen verdeeld houdt, terwijl ideeŽn hen verenigen.

Bezit op zichzelf behoort tot het zielloos vele.

IdeeŽn daarentegen zijn geladen met verbondenheid.

Individueel bewustzijn met, noodzakelijkerwijze, een 'ik' als middelpunt, reikt niet verder dat tot voorstellingen en begrippen van zuiver relatieve betekenis.

Het aanpassingsvermogen van de mens is zo uitzonderlijk groot en zijn subjectiviteit zo overheersend, dat hij overtuigd is een superieure persoonlijkheid te zijn, die zich op bewonderenswaardige wijze door het leven slaat.

Daar niemand beter kan dan waartoe hij in staat is, leidt dit eenvoudige feit gemakkelijk bij ieder tot de overtuiging, dat zijn individueel bereikte resultaat dan ook uitnemend is.

En hij vindt het helemaal niet aardig als een ander het daarmede niet eens is.

Wat wij beschaving noemen is niet anders dan een vorm van barbarisme, waardoorheen zich spaarzame culturele stroompjes slingeren.

Het merendeel der mensen onthoudt er zich angstvallig van daarop uit spelevaren te gaan.

Het Christendom heeft al zijn hoogtijdagen geprojecteerd op het 3-dimensionale vlak om aan te geven, dat hoogtij in laagtij is omgezet.

Immers alle kerkelijke feesten zijn gekoppeld aan eet- en drinkgelagen.

Alles is altijd overal in volkomen volheid.

Ieder middelpunt van bewustzijn beschikt over een apparaat beschikt over een apparaat om iets ervan op te vangen en te interpreteren op eigen wijze.

De aard en hoedanigheid van het apparaat bepalen wat hij ervaart en hoe hij het zal interpreteren.

Wijsheid verwerft men niet, evenmin als talent of genie.

Het zijn glimpen der Totaliteit welke zich manifesteren door sommige zijner middelpunten van bewustzijn en aan het merendeel der mensen volkomen verborgen blijven.

Als grote groepen individuen over een ongeveer identiek waarnemingsapparaat beschikken, zodat hun ervaringen en interpretaties vrijwel parallel lopen, dan is het resultaat een omvangrijke massasuggestie, welke zich aan hen voordoet als de werkelijkheid.

Zo vormt zich het wereldbeeld van de ik-mens, in zijn ogen de wereld.

Al zijn lotgenoten delen dezelfde illusie, waarachter steeds weer hun individuele beleving schuil gaat.

De mens die zich op de 7e sport der 7-dimensionale ladder bevindt is in staat te vatten en te ervaren wat eenheid is.

Hij beleeft dit sublieme gebeuren in eigen wezen, zoals hij daarin ook bewust geworden is van het vele, alle grenzen zijn weggevallen.

Ieder ander en al het andere is hij zelf - er is niets buiten hem. Zijn medemens is hij zelf, diens lijden is zijn lijden, diens vreugde zijn vreugde.

Hij is.

De natuur kan ons, als we voor haar openstaan, een voorproef geven van 7-dimensionale bewustwording.

Ieder ogenblik is ze bereid ons in haar boordevolle schatkamers toe te laten.

Welk een ervaring is het op een schone, stille zomeravond te zitten op een eenzame duintop, als het strand verlaten is, de zee zijn nimmer aflatende ritme in de ruimte bouwt, de ondergaande zon haar licht in verblindende schittering laat glijden over de eindeloosheid van het water.

En dan te staren in het verbijsterend koloriet van het wijkend licht in nooit voltooide verten, waar de ruimten der oneindigheid deinen in het grenzenloze - tot tijd en ruimte wegvallen uit de gedachten met alle andere gedachten.

En dan stil te worden, zo stil, dat er slechts overblijft ťťnzijn, volmaakte binding, mateloos geluk, opgang in een Nu, dat het eeuwige zelf is.

Niets kan ooit begonnen zijn!

Ook niet het paradijs.

Paradijs noch Hof van Eden zelf zijn ooit begonnen, zo min als het Leven.

Begin is een ultramenselijk begrip, attribuut van onze gekortwiekte wijze van waarneming - in opeenvolging.

Het woord begin impliceert trouwens zijn eigen onbestaanbaarheid.

Dat heeft het gemeen met het grensbegrip.

Een grens kan namelijk evengoed symbool van eeuwigheid zijn als van afgeslotenheid - want achter iedere grens wenkt een nieuwe einder.

En zo betekent ieder begin het einde van iets anders.

Begin en einde zijn slechte illustraties der menselijke onvolkomenheid.