SAI BABA: OVER DE BHAGAVAD GITA
DE EENHEID ZIEN IN DE VEELHEID
Het stralende licht van het Atma is
bedekt door het lichaam en door de tien zintuiglijke organen: de vijf stoffelijke en de
vijf subtiele; deze worden gesymboliseerd door de tien gaten in de pot.
Deze pot van het lichaam is weer
bedekt door een dik kleed van ik-gevoel en van gehechtheid.
Allereerst moet je dit kleed van
zelfzucht en ik-gevoel wegnemen.
Dit gevoel komt voort uit
onwetendheid; het is een vorm van zinsbegoocheling, die afkomstig is van maya.
Men kan zich maya voorstellen als
Gods uiterlijke kleed.
Men zegt wel dat Gods zichtbare vorm
de illusie is; deze illusie versluiert en verbergt Hem voor ons oog.
Is dit kleed der illusie eenmaal
weggenomen, dan komt het innerlijk licht aan de dag en treedt via de zintuigen stralend
naar buiten.
Het licht dat je met je ogen ziet, is
slechts een weerspiegeling van de lichtende goddelijkheid die in je is.
Iedere trilling die je hoort met je
oren of voelt met je huid, is slechts een reactie van deze organen op datzelfde innerlijke
licht.
En ieder geluid dat je maakt met je
mond is slechts een echo van dat ene goddelijke licht.
Alles wat je kunt doen, alles wat je
ervaart via de zintuigen is niet meer dan een weerspiegeling, een reactie of een echo van
dat schitterende stralende onsterfelijke Zelf (atmajyothi).
Maar zolang je nog deze pot van het
lichaam bezit, zul je dat ene atmische licht niet kunnen waarnemen; je zult slechts de
veelheid kunnen waarnemen van vele verschillende lichten.
Je ziet verscheidenheid in datgene
wat in werkelijk een is.
Je moet deze foutieve zienswijze
corrigeren.
In de Oepanisjads wordt geleerd dat
je de eenheid moet zien in de verscheidenheid.
Wanneer kun je die eenheid waarnemen
en ervaren?
Alleen wanneer je het gevoel van
identiteit met het lichaam volledig opgeeft, kun je ervaren dat je overal verscheidenheid
ziet, terwijl er slechts eenheid bestaat.
Vele grote wijsgeren hebben
rechtstreeks ervaren dat er in die grote veelvormigheid van de wereld slechts eenheid te
vinden is, zoals in de Oepanisjads staat geschreven.
Deze eenheid is de basis van alle
dingen, overal; deze is het Atma dat men moet gewaarworden in elk ding en in elk schepsel.
Dit is de hoofdinhoud en de kern van
de Gita, die zelf weer de essentie vormt van alle Opanisjads.
De tien lichten die het lichaam
uitstraalt, vinden alle hun oorsprong in dat ene licht van God.
Die tien lichten zijn ieder een deel
van het innerlijke atmische licht, het stralende licht van de Allerhoogste.
Hiervan moet je je altijd bewust
blijven.
Het stoffelijk lichaam met al zijn
uiterlijke kenmerken kun je zien, maar het Atma kun je niet rechtstreeks waarnemen; je
hebt immers nog niet het juiste begrip van de oneindige schoonheid van de Heer die in alle
schepsels woont.
Denk eens na over het volgende kleine
voorbeeld:
Er is een zware stortbui.
Enorme massa's water stromen van de
bomen, er komt water van het dak en uit de goten, het stroomt van de luifels.
De dakgoot van het aangrenzende huis
loopt over en zo komt het water je huis binnen.
Huis en erf lopen onder en overal
ontstaan snelstromende beekjes en riviertjes.
Het water is overal, schijnt van vele
verschillende kanten te komen, maar elke druppel van dat water kan alleen maar van de
hemel boven je gekomen zijn.
Al dat spraakvermogen, al die
lichaamskracht, al die schoonheid, al die vaardigheden, bij wie je ze ook aantreft, zijn
alle slechts afkomstig uit die ene bron, die ene goddelijkheid die alles doordringt.
Je moet de eenheid leren herkennen
die de grondslag vormt van al die verschillende eigenschappen.
Als je eenmaal begint vast te houden
aan die eenheid, dan zal alle verscheidenheid verdwijnen.
Is de verscheidenheid eenmaal
verdwenen, dan verdwijnen ook de verlangens.
Zijn er geen verlangens meer, dan is
er ook geen plaats meer voor boosheid.
Wanneer je de verlangens en de
boosheid hebt vernietigd, zul je gereed zijn voor de goddelijke wijsheid.
Door geestelijke oefeningen, in het
bijzonder door innerlijke beschouwing, zul je die eenheid gaan beseffen en het goddelijke
principe kunnen ervaren dat altijd in je hart aanwezig is.
Dit hevige verlangen naar het licht
van de goddelijke wijsheid, het verlangen om de eenheid te zien in de veelheid, wordt
uitgedrukt in het verheven gebed uit de Oepanisjads:
Leid mij van de onwerkelijkheid naar
de werkelijkheid
Leid mij van de duisternis naar het
licht
Leid mij van dood naar
onsterfelijkheid.
Eenheid achter verscheidenheid: Alles wat we via onze zintuigen ervaren – licht, geluid, aanraking – is slechts een weerspiegeling van het ene goddelijke licht (Atma). Wat lijkt op veelheid is in wezen één.
Het lichaam als sluier: Het stralende licht van het Atma wordt bedekt door het lichaam, de zintuigen en het ego. Deze sluier van illusie (maya) verhindert ons om de ware eenheid te zien.
Zelfzucht en gehechtheid: Deze komen voort uit onwetendheid en moeten worden losgelaten om het innerlijke licht te ervaren.
Zintuiglijke ervaringen: Alles wat we doen of voelen is een echo van het goddelijke licht binnenin ons.
Oepanisjads & Bhagavad Gita: De essentie van deze teksten is het besef van eenheid in de veelheid. Het Atma is de bron van alle dingen.
Metafoor van regen: Hoewel water uit verschillende richtingen lijkt te komen, is de bron altijd de hemel – net zoals alle eigenschappen en krachten uit één goddelijke bron komen.
Innerlijke beschouwing: Door meditatie en spirituele oefening kun je het goddelijke principe in jezelf ervaren.
Verlangen en boosheid loslaten: Door het verdwijnen van verlangens verdwijnt ook boosheid, wat leidt tot goddelijke wijsheid.
“Leid mij van de onwerkelijkheid naar de werkelijkheid Leid mij van de duisternis naar het licht Leid mij van dood naar onsterfelijkheid.”
![]()