SPINOZA: GOD-WERELD-LEVEN DE MYTHISCHE BESCHOUWINGSWIJZE
De mythische beschouwingswijze heeft
als zodanig haar uitgangspunt in de opheffing van de tweeheid van kennen en gekend worden
(subject en object van denken), in de Aléénheid derhalve, waarin ook zelfbewustzijn en
denken zijn opgegaan.
Daarom kan dit uitgangspunt der
mythische beschouwingswijze niet anders zijn dan een definiëring van het ondefinieerbare,
een symbolische idee, waarop betrokken wordt hetgeen naar zijn aard niet redelijk kan
worden gedacht of begrepen.
In deze negatieve staat van inzicht,
welke met de formele gedachte van de Aleenheid als symbolische idee gegeven is, kan de
mythische beschouwingswijze echter niet blijven berusten.
De oneindige Eenheid, welke voor het
denken alles en niets is, moet zich als Zelfbewustzijn relativeren; het is redelijk
noodwendigheid, dat het middelbare zichzelf denkt, waardoor het grondeloze tot
grond wordt.
De goddelijke Aleenheid sluit in zich de identiteit van subject en object van denken, hetgeen als beginsel van mythische beschouwingswijze aldus moet worden opgevat, dat het Alene zichzelf als denkend denkt, de Zelfbewustwording van de goddelijke Aleenheid.
Het Zelfbewustzijn als oneindige
zelfkennis van de goddelijke Aleenheid is het redelijk uitgangspunt der mythische
beschouwingswijze.
Op deze gedachte van Zelfbewustwording van de goddelijke Oneindigheid berust de overgang van de onkenbare Aleenheid der goddelijke Oneindigheid tot de redelijke kenbaarheid van de openbaring van het Goddelijke in de wereld.
Opheffing van dualiteit: De mythische beschouwingswijze begint bij het opheffen van de tweedeling tussen subject en object, kennen en gekend worden. Alles gaat op in een goddelijke Aléénheid.
Symbolische benadering van het ondefinieerbare: Omdat deze eenheid niet rationeel te begrijpen is, wordt ze benaderd via symbolische ideeën. Het denken kan haar niet vatten, maar wel aanduiden.
Zelfbewustwording van het goddelijke: De goddelijke Aléénheid denkt zichzelf als denkend wezen. Dit is een noodzakelijke stap: het onkenbare moet zich uitdrukken als kenbaar, als openbaring.
Redelijke noodzaak tot relativiteit: Hoewel de Aléénheid alles en niets is, moet ze zich als Zelfbewustzijn relativeren om betekenisvol te worden voor het denken. Zo ontstaat een grond vanuit het grondeloze.
Openbaring in de wereld: Vanuit deze zelfkennis van de goddelijke Oneindigheid ontstaat de mogelijkheid tot openbaring van het goddelijke in de wereld—een brug tussen het onkenbare en het kenbare.
Deze beschouwingswijze is dus een poging om het absolute, het onkenbare, toch in relatie te brengen met menselijke ervaring en rede—zonder het te reduceren tot iets alledaags.