LEVENDE
GEDACHTEN
x
OSHO
x
KRISHNAMURTI
x
MAHARISHI
x
MEHER BABA
x
SAI BABA
x
VIVEKANANDA
x
BHAGAVAD GITA
x
MYSTIEK
x
NIETZSCHE
SPINOZA
FILOSOFIE OVERIGE
x
I TJING  
x
THOMAS EVANGELIE
x
OVERIGE
x
CITATEN
x
TREFWOORDEN & LINKS
x
SITEMAP
x
HOMEPAGE

 

       SPINOZA: INNERLIJK PERSPECTIEF 

  ESTHETISCH LEVEN  

1.Het zedelijke en het esthetische

Evenals in de zedelijkheid onderscheid bestaat tussen zedelijk bewustzijn en zedelijk leven, zo ook valt in de schoonheidszin tussen esthetisch bewustzijn en esthetisch leven te onderscheiden.

Door zedelijk bewustzijn is zedelijk leven mogelijk en heeft dit laatste de betekenis van te zijn des mensen beleving van de Idee.

Een beleving van de Idee is ook het esthetisch leven; en ook hier ligt een geordend esthetisch bewustzijn ten grondslag.

De schoonheidzin volgt in het plan van ons innerlijk wezen op de zedelijkheid.

Zo schrijdt dan de Idee-in-ons van theoretische rede over zedelijkheid naar schoonheidzin voort om haar cyclus in de religie te voltooien.

Het is nauwelijks nodig hier te waarschuwen tegen de misvatting alsof het ene na het andere kwam; de voortschrijding heeft in geen tijd plaats, alsof met de theoretische rede ware afgedaan, wanneer de praktische rede intrad, en de schoonzinnigheid betekende, dat de zedelijkheid nu is voorbijgestreefd.

Evenmin kan hier gesproken van een gradatie, een rangorde.

Het esthetische is niet meerwaardig dan het zedelijke, omdat het 'na' dit komt en het zedelijke in het esthetische reeds is voorondersteld; evenmin is de theoretische rede de minst- en de religie de meest-waardige als zijnde grondslag en bovenbouw.

Maar de verhouding is die van de cyclus, waarbij elk deel op het geheel wijst, doch in de volgorde daaraan eigen, terwijl slechts het geheel waarde geeft aan de delen.

Bij een cyclus is het einde de vervulling van het begin.

Het esthetisch bewustzijn is geen theoretische rede noch een praktische, maar een verbeeldende.

De rede is ons denkend wezen, dat theoretisch handelt, wanneer het zijn kennis voortbrengt.

De rede is praktisch, wanneer zij de gedachte aanwendt voor het streven, wat in de zedelijkheid geschiedt.

De rede is verbeeldend, wanneer zij theoretische kennis noch levensleiding bedoelt en toch rede is.

De esthetische verbeelding heeft met de theoretische rede deze overeenkomst, dat zij binnenwaarts is gericht, en geen streven in beweging zet.

Doet de verbeelding zich voor als motief van streven en werkzaamheid, zoals vele malen het geval is, dan is zij de esthetische verbeelding niet.

De verbeelding heeft echter met het zedelijk bewustzijn deze overeenkomst, dat haar voorstellingen geen intellectuele waarde hebben.

Verbeelding is een aanschouwing, d.i. een voorstellingswijs, die wel het zinnelijk voorstelbare tot voorwerp heeft, maar waarbij de uitdrukkelijke inhoud van het voorstellen het onvoorstelbaar-algemene is; aanschouwing der idealiteit op de manier der zinnelijkheid.

De esthetische verbeelding is een zinnelijke redelijkheid, die het Algemene herkent als ware het voor de zinnen aanschouwelijk.

Dat zij het Algemene (de Idee) herkent, heeft in, dat haar voorstellingen niet zijn aanduiding van enige ervaarbare werkelijkheid, maar innerlijke schepping, waarin de voorstellingsstof wordt aangewend tot uitdrukking van de idealiteit des Geheels.

De verbeeldende rede beschikt over de beide werkzaamheden der mensenziel: kennen en streven, waarmee ook de praktische rede te werk gaat.

Kennen en streven zijn de beide gestalten van ons innerlijk bestaan, waarin zich ons redelijk wezen gelden doet.

De term streven, omvat zowel gevoelen als willen, in dier voege, dat het gevoelen de overgang van kennen tot streven, d.i. het aanvangsmoment van het streven uitmaakt.

Ook de verbeeldende rede beschikt over geen andere werkzaamheden dan kennen en streven.

Op welke wijze is het dat zij, anders dan de praktische rede, over deze beide beschikt?

Kennen en streven beide zijn bij de verbeeldende rede betrokken, doch in omgekeerde verhouding als bij de praktische.

Staat in de praktische rede het kennen in dienst van het streven, dan staat in de verbeeldende het streven in dienst van het kennen.

Is in het zedelijk bewustzijn het kennen (onze erkenning van de Idee) gericht naar het streven, om wegwijzend te zijn voor dit, dan is in de verbeeldende rede de stroom teruggericht van het streven op het kennen.

De Idee in ons, die in de zedelijkheid de gedachte aanwendt tot adeling van de spontaneÔteit van het streven, wendt in de verbeeldende rede de (geadelde) spontaneÔteit aan tot verzinlijking der gedachte.

De verbeelding is een denken, dat met behulp van onze emotionele (gevoelende) natuur het algemene denkt op de wijze der zinnelijke voorstelling.

Om de aard van de esthetische verbeelding te kennen moeten wij haar dus niet op zichzelf bestuderen, maar in het verband der orde van de mensengeest in het algemeen.

Wij verstaan dan hoe in zedelijkheid en schoonheidzin de Idee-in-ons (ons geestelijk wezen) zich in onderlinge tegenstelling beweegt, zodat de bouw van de verbeeldende rede symmetrisch tegengesteld is aan die der praktische.

De zedelijke rede heft aan bij een inzicht, een redelijke overtuiging, een erkenning, terwijl de esthetische rede aanheft bij de emotionaliteit (die een opzicht van onze strevende natuur is).

In onze zedelijkheid vergeestelijken wij ons streven uit een inzicht; daar leidt ons onze bewuste rede, en wij gevoelen ons autonoom; wij erkennen een gerechtigheid en belijden het ideaal.

De Idee die ons onderbewust wezen is, onderneemt in ons zedelijk bewustzijn een travestie en wordt idee van het behoren, waardoor de zedelijkheid te werk gaat in de vorm van een bewuste redengeving.

Daar licht de Idee ons voor als ware zij onze bewuste gedachte, ons welgeweten voornemen.

Dit is in het esthetisch bewustzijn geheel anders.

Hier handelt de Idee-in-ons juist als onbewuste macht zonder de schijn te wekken van een zelf- werkzaamheid van onze bewuste rede.

Voor onze zedelijke gezindheden weten wij reden, voor onze schoonbevindingen niet.

2.Inspiratie

In de geadelde emotionaliteit van onze natuur (de gevoelens van bewondering en van verrukking) is het, dat de schoonheidzin aanheft, om tot de schone voorstelling te komen.

Deze emotionaliteit is teken van de activiteit der Idee, die de levensdrang (uit wie alle gevoelens zijn) tot schepping van de schone voorstelling aanwendt.

De activiteit der Idee in het esthetisch bewustzijn is inspiratie.

Vandaar dat aan de esthetische gevoelens het karakter van vervoering eigen is.

De prioriteit van het emotionele wil geenszins zeggen dat de schoonvinding in emotie is gegrond.

Haar grond ligt in de idealiteit van ons wezen.

Maar door de emotionaliteit, aan de schone voorstelling eigen, betoont de Idee zich als inspiratieve macht.

Het inspiratieve is onderbewuste stuwkracht, waarvan wij in de esthetische emotie weet hebben.

In haar beseffen wij de verborgen bronwel.

De kunstenaar aan wiens werk te herkennen is de 'liefde', waarmee hij schilderde (zoals zo menig waardevol werk der kleinere kunst te zien geeft) maar ook de niet-kunstenaar, die schouwt en geniet, heeft zijn schoonheidsweten uit een liefde, die inspiratie is.

De schoonvinding is bezield evenzeer als de schepping van het schone bezield is.

Slechts door inspiratie is het kunstenaarschap mogelijk, en slechts door haar de schone bewondering.

Inspiratie bestaat hierin dat in onze verbeeldingen de Idee-in-ons als grond van deze zich betoont en wordt mee geweten.

De mens herkent zijn voorstellingen als beelden van het grotere, dat in hem in werking is; het transcendentale Ego doet zich gelden.

Deze toestand is de scheppende toestand, waarin cultuurwerken tot stand komen, maar ook zonder deze voortbrengst kan hij aanwezig zijn, zoals het geval is, wanneer ons de schoonheid der aanschouwing overvalt.

De mens beseft alsdan, dat zijn schouwsels niet uit bewuste keuze, maar uit de activiteit van zijn dieptewezen afkomstig zijn.

Inspiratief is de esthetische verbeelding op de wijze, waarop de praktische rede 'behorend' is.

Het behoren is de werkgestalte der Idee in onze praktische rede, waardoor zij op onze strevende natuur werking oefent.

De ideeŽn van het esthetisch bewustzijn zijn het werkmiddel der Idee bij haar inspiratieve werking, evenals de ideeŽn van het zedelijk bewustzijn haar middel waren tot de idealisering onzer strevingen.

Inspiratie dus is geen psychologisch maar een metafysisch begrip en heeft in psychologische esthetica geen plaats, tenzij deze zich op metafysisch standpunt stelt en de leer der Idee aanvaardt.

Haar ervaarbare nevenzijde is de vervoering, die in gematigde graad ontroering is.

Het begrip der vervoering is wel een psychologisch begrip, omdat het niet meer zegt dan de toestand van bewogenheid en het hevig tempo van deze, waarin de ziel verkeert, terwijl in het begrip der inspiratie naar de innerlijke grond daarvan wordt teruggewezen.

Inspiratie wordt in de ziel ervaren als vervoering, en de dichter, die staat 'trunken an des Himmels Tor', de geÔnspireerde, ervaart zijn ingeving als een verkeer in het vervoerde geluk.

3.Esthetisch leven als beleving van de Idee

Met een esthetisch bewustzijn is nu een esthetisch leven mogelijk.

Esthetisch leven is het genieten van schone voorstelling en schone gevoeling; in ťťn woord: het werkelijk beleven van de schoonheid, waaraan de mens deel heeft op het ogenblik, dat hij het kunstwerk of de natuur (landschap of voorwerp) bewondert.

Het esthetisch leven is een beleven en wel een beleven van de Idee, evenals het zedelijk leven is, doch op andere wijs.

Mijn beleven van de Idee is het leven der Idee in mij.

De Idee, absoluut zijnde, is in zichzelf ook het 'leven' te boven, daar in haar de zelf-onderscheiding tegelijk is opgeheven; in haar oneindigheid is het proces van haar verwerkelijking tevens gesloten; in haar is de wereld voleindigd.

Maar uit oogpunt der wereld (die het moment der zelfonderscheiding in de Idee is) is de Idee de volstrekte Algemeenheid, in de wereld levende.

God in zichzelf is niet levende God, maar in de wereld is Hij levende God, zich verwerkelijkende Idee.

Dit Leven beleven wij in onze zedelijkheid en schoonheidzin.

Het esthetisch bewustzijn is de organisatie van de geest, waardoor schone beleving mogelijk is, die in voorstellen en gevoelen bestaat.

Het schone voorstellen en gevoelen heeft als zijn voorwerp de natuur, in de zin van wereld van onze zinnelijke waarneming.

Schoonheid is natuurschoonheid.

In tweede instantie is zij ook kunstschoonheid.

De natuur is schoon niet uit zichzelf, maar door de inspiratie en voor het kunstenaarschap der mensenziel.

Slechts voor het kunstenaarschap der mensenziel, d.i. door een inspiratie uit de Idee, is van een schoonvinding sprake.

De natuur verschijnt aan het verstand als een in de ruimte geschikte som van waarnemingen, welke wij onder mechanische, chemische, geologische, mineralogisch, vegetatieve, fysiologische, biologische gezichtspunten ordenen.

De schoonheid heeft hier geen plaats.

Dit gebergte, welks aanblik mij verrukt, is voor het verstand een vormsel van gesteenten, door een oprimpeling van de aardkorst ontstaan; het bestaat uit kalksteen, waarvan de chemische samenstelling is zo en zo.

Deze bloeiende plant bestaat uit functionerende organen, die het voortbestaan der soort waarborgen.

Aldus de feitelijke natuur, zoals zij waargenomen en overdacht wordt.

Van schoonheid geen sprake.

De koeien, die als witte droomgestalten in de avondlijke weide rondwaren langs het zwijgend geboomte, waarin reeds de nacht nadert - zijn gespletenhoevige herkauwende zoogdieren, behorend tot het gewerveld diertype.

De natuur, door het verstand begrepen, heeft de schoonheid niet.

Zonder het kunstenaarschap der ziel zien wij haar zakelijk.

Eerst door het kunstenaarschap verliest zij haar zakelijkheid en wordt schoon.

Het esthetisch bewustzijn geeft aan de natuur schoonheid door een idealisering.

Onze schoonbevinding der natuur heeft als haar wortel een fundamenteel inzicht van de verbeelding, dat a-priorisch, van niets ervaarbaars afgeleid, aan onze geest als zodanig eigen is; evenals het zedelijk bewustzijn dergelijke wortel heeft in het weten van norm.

Beide zijn aanwending van de theoretische rede, wier wortel ligt in de erkenning van Idee.

De Idee wordt in de zedelijke bewustheid als norm geweten; in het esthetisch bewustzijn als Verhouding.

Het is de esthetische verbeelding, die in de zinnenwereld iets anders dan zinnenwereld schouwt.

Zij heeft de visie van een ideŽle verhouding, waarmee zij aan onze voorgestelde zinnenwereld de waarde van schoonheidswereld verleent.

Wortel is beginsel, waaruit de schoonbevinding tot stand komt en niet meer dan dit; hij is de alsnog onverwerkelijkte aanleg van het esthetisch bewustzijn, de potentialiteit, die eerst daarin tot werkelijke schoonvinding overgaat, dat ik voor een landschap of natuurgestalte in bewondering geraak.

Het gemis van deze wortel, het onvermogen tot herkenning van een ideŽle verhouding, zou maken dat ik in de natuur niets anders zag dan haar zakelijkheid; maar het bezit van deze wortel is nog niet voldoende tot werkelijke schoonvinding.

Ik moet de visie van een ideŽle verhouding op de natuur overdragen en in mijn voorstellingswereld beleven.

Hier valt echter op te merken dat het esthetisch bewustzijn bij zijn schoonvinding niet weet, dat hij een 'wortel' heeft.

De schoonvinding gaat niet gepaard met de wetenschap aangaande een ideŽle verhouding in de natuur.

Ik ontwaar niet ideŽle verhouding, maar ik ontwaar schoonheid doch mijn redelijke bezinning verstaat, dat mijn weten van ideŽle verhouding hierbij het werkzame beginsel is; maar deze wetenschap behoort aan de redelijke bezinning toe, niet aan de schoonheidszin.

Spontaan gaat de bewondering van het schone te werk, en zo onmiddellijk, alsof hetgeen ik waarneem zelf de schoonheid ware, waarbij ik van niets anders weet dan haar te prijzen; deze wolkendrift, deze rivier, die langs haar oevers buigt, deze mensengestalte en deze witte bloem in haar omlijsting van groen gebladert... maar schoonvinden zou ik niet, zo niet de ongeweten visie van een ideŽle verhouding mij eigen ware; want wat ik waarneem, is niets dan een beeld in tijd en ruimte, dat als zodanig geen schoonheid heeft; doch de verbeelding, die ideŽle verhouding beseft, draagt haar idee in het voor ogen zijnde aanschouwsel over.