LEVENDE
GEDACHTEN
x
OSHO
x
KRISHNAMURTI
x
MAHARISHI
x
MEHER BABA
x
SAI BABA
x
VIVEKANANDA
x
BHAGAVAD GITA
x
MYSTIEK
x
NIETZSCHE
SPINOZA
FILOSOFIE OVERIGE
x
I TJING  
x
THOMAS EVANGELIE
x
OVERIGE
x
CITATEN
x
TREFWOORDEN & LINKS
x
SITEMAP
x
HOMEPAGE

 

       SPINOZA: INNERLIJK PERSPECTIEF 

  ZEDELIJK BEWUSTZIJN  

1.Mens en wereldorde: grondslag der zedenleer

Zedenkunde en zedenleer (ethiek) zijn hierin verschillend, dat de eerstgenoemde een wetenschap van feiten is, beschrijvend en zo mogelijk verklarend zede en zedelijk leven, gelijk dit zich hier en elders in de loop der eeuwen heeft voorgedaan.

Maar zedenleer is een normwetenschap, steunend op het begrip van een tegenstelling van het behorende en het niet behorende, het zedelijk-goede en het kwaad.

In de zedenleer valt nu weer onderscheid te maken tussen een leer der grondbeginselen, die als een a-priori in het zedelijk zelfbewustzijn inwonend zijn, en een leer der aanwending van deze in de samenleving met haar verschillende verhoudingen (huisgezin, maatschappij, arbeidskringstaat, enz.).

Ter onderscheiding kunnen wij voor laatstgenoemde de term moraal gebruiken, voor eerstgenoemde die van ethiek.

Ethiek betekent dan de leer der grondbeginselen.

Deze grondbeginselen vormen tezamen het a-priori der zedelijke rede, terwijl de moraal met een a-posteriori der zedelijke ervaring te doen heeft.

De twee gebieden zijn niet te scheiden maar de methoden van onderzoek in beide mogen niet verward worden.

Hoezeer ook de grondbeginselen een algemeen-menselijk karakter dragen (terwijl hun aanwending in de moraal naar tijd en plaats verschillend is:  - zo vindt toch de onderzoeker ze niet uit, door volgens empirische methode naar de zedelijke oordelen te vragen, die zich waar dan ook voordoen, maar door zelfbezinning: de individuele mens vindt ze in eigen a-priori, evenals de kenleer de kenbeginselen als a-priori in het eigen individuele kenvermogen aantreft, al zijn ze van algemeen menselijke gelding.

De individuele natuur van het zedelijk geweten bewijst, dat de methode der ethica die der zelfbezinning is: het zedelijk bewustzijn is zedelijk zelfbewustzijn.

Het zedelijke onderscheidt zich van al het andere, dat niet tot zijn gebied te rekenen is, door dit kenmerk, dat het behorend is.

In de natuurwereld geldt geen behoren; het zaad, dat de landman over zijn akker strooit, komt op of het komt niet op, en het gedijt of gedijt niet, maar noch het een, noch het ander behoort te geschieden; en voorzover de mens tot de natuurwereld te rekenen valt, geldt ook voor hem geen behoren.

Het behoren geldt uitsluitend voor de geest, en wat deze betreft uitsluitend voor zijn zedelijke natuur, en zo men de idee van het behoren ook daarbuiten wil aanwenden (gij behoort juist te denken, en gij behoort schoon te vinden en God te eren) is er sprake van een uitstraling van het zedelijke over de nevengebieden van de geest, een betrekken van het andere onder de zedelijke norm.

Het zedelijke heeft zijn kenmerk als een specifiek eigendom.

Het zedelijke heeft zijn grondslag in de mens.

2.Diepte-ego

De mens is een ego, een ik, en hij alleen.

In de natuurwereld komt het ego niet voor; poes en hond, hoezeer met de mens vertrouwd, zijn evenmin een ego als een vis of een slang.

De natuur is objectswereld, het ego is subject.

Dit ego is diepte-wezen, welk begrip niet in psychologische zin is op te vatten als onderbewust zielsbestaan, maar in metafysische zin.

Het ego is als diepte-ego de vooronderstelling van geheel ons geestelijk leven, het geheim der persoonlijkheid.

Het is transcendentaal-ego, een metafysische realiteit, waarvan het ervaarbaar-ik niet meer is dan een spiegelbeeld.

Wat de mens gewoonlijk zijn ik acht heeft als zodanig geen wezen en is zijn ware centrum niet.

Het diepte-ego is zijn centrum, uitgangspunt van zijn leven, waardoor zijn individualiteit en menselijk wezen is bepaald.

Het ervaarbaar-ik, waarvan wij zeggen: ik verheug mij, ik lijd, ik begeer, is de som der zielstoestanden, die slechts worden samengehouden, doordat zij zich afspelen voor de achtergrond van het diepte-ik.

Door het diepte-ego zijn wij niet object, maar subject, zijn wij persoonlijkheid en behorende tot een hogere orde van bestaan dan de natuurwereld.

Het diepte-ego is tegelijk denkend en willend; het is idee en activiteit.

Maar krachtens de dialectische, in de staat der tegenstelling verkerende aard der werkelijkheid roept het het andere van zich, het ervaarbaar-ik te voorschijn, waarin activiteit en denken verkeerd zijn in levensdrang en zinlijke voorstelling, die de ervaarbare zielsinhoud uitmaken.

De levensdrang omvat de som der levensdriften, als daar zijn de drang naar genieten, naar macht, bezit, eer, enz. met annexe voorstellingsfeiten.

De levensdrang betoont zich in het begeren met zijn dubbele gestalte van toeneiging en afkeer, lust en haat.

De opgaaf van het zedelijk zelfbewustzijn zal wezen deze levensdrang te hervormen en daarmee het menselijk denken boven de zinlijke voorstellingswijze te verheffen, waardoor het ervaarbaar-ik met het diepte-ego herenigd en daaraan dienstbaar gemaakt wordt.

Wanneer wij van een wil ten goede spreken, bedoelen wij, dat de Idee-die-wij-zijn, in haar activiteit zich verwerkelijkt in de levensdrang.

Het is nu aldus met een mens gesteld, dat de voortbeweging in de richting van zinlijkheid naar geestelijkheid gewerkt wordt van uit het eigen centrum van ons wezen.

In het diepte-ego ligt de kracht, die het leven en de wil adelt en hem tot een hoger levensplan heenvoert.

Het is het diepte-ego, dat aan ons zijn werk doet, maar naar de vorm is het een werk dat door onze bewuste wil gedaan wordt en waartoe wij door ons voornemen worden aangespoord.

3.Zedelijk oordeel; norm en wet

Het zedelijk bewustzijn werkt nu in de eerste plaats oordelend, in tweede instantie als leidend vermogen.

Geen zedelijke levensleiding zou mogelijk zijn, zo de mens niet begiftigd ware met een oordeelskracht, die hem in staat stelt goed en kwaad te onderscheiden, de wil ten goede als tegengestelde van het blind begeren aan zichzelf te herkennen.

Zedelijk oordeel is zedelijke zelf-beoordeling; het is introspectief, terugziend en eerst in tweede instantie en op indirecte wijze gericht houdend over anderen en over het andere, dat niet wijzelf zijn.

Het zedelijk oordeel handelt volgens norm, d.i. volgens een maatstaf, die als beginsel van de oordeelsuitspraak dienst doet en zonder welke het oordeel ongewis en willekeurig zijn zou, door toeval van het ogenblik geleid en dus niet te onderscheiden van het zinnelijk begeren, dat, normloos, door niets anders dan zijn blinde spontane´teit gedreven wordt.

Norm is de idee van waaruit het zedelijk oordeel geveld wordt, het beginsel door het zedelijk oordeel te baat genomen om actueel te kunnen zijn en tot feitelijke oordeelvelling over te gaan.

In het leven gelden normen, meervoudig; maar norm is een enkelvoud.

Normen zijn verbijzonderingen van het normwezen der zedelijke zelfbeoordeling; verbijzonderingen overeenkomstig de aard van het gebied, waarop zij gelden.

Zij zijn niet meer, wat norm wel is: een zuiver a-priori van de geest, grondelement van ons geestelijk bestaan; zij zijn aanwendingen in de levenspraxis, met een inhoud geladen, die aan het ervaarbaar leven is ontleend.

Zo gelden voor alle levenskringen eigen gedragsnormen.

De tien geboden van het Oude Testament zijn dergelijke normen ter bepaling van het menselijk gedrag.

De zedelijke cultuur der volken wordt door normen geleid, die naar plaats en tijd verschillend kunnen zijn.

Zij zijn verwant aan de fatsoensregels, want het fatsoen is een zedelijkheid van geringer betekenis en op het meer uitwendige levensplan.

Normen kunnen ook verschillend zijn overeenkomstig het onderscheid der standen in het maatschappelijk leven. 

Aldus bijv. bij het Oudindisch kastenwezen, waaraan de Brahmaan andere eisen gesteld zijn en andere voorrechten gegund dan die voor de Sudra gelden.

De normidee weet van dergelijke verschillen niet, waaruit niet valt op te maken, dat zij de bleke abstractie is, uit bijzondere, concrete normen afgetrokken.

Zij weet daarvan niet, omdat zij geen materiŰle inhoud heeft, en derhalve een geabstraheerde inhoud evenmin.

Zij is het zedelijk bewustzijn zelf in zijn functie van oordelend bewustzijn, en ligt dus in het a-priori van de geest, terwijl elke bijzondere inhoud een a-posteriori uitmaakt, dat is een inhoud, die met de ervaarbare wereld te doen heeft, en in zover aan de ervaring is ontleend.

Het zedelijk bewustzijn is zichzelf tot norm en kan geen andere norm volgen, dan die het in eigen wezen aantreft.

Hierin verschilt het zowel van de bijzondere zedelijke normen als van die der juridische rechtspraak, die in een wetgeving worden neergelegd, naar welke het oordeel moet uitvallen.

Het zedelijk bewustzijn kan zichzelf tot norm zijn, doordat het in zichzelf een metafysische grond heeft: het diepte-ego, waarvan het een werkvorm is, terwijl het diepte-ego geworteld is in de wereldorde.

De norm krachtens welke het zedelijk oordeel geveld wordt, objectiveert zich in normen, en deze vormen tezamen de zedenwet, die, hoewel in een veelheid van bepalingen bestaand, toch in zichzelf ÚÚn is; want de normen zijn niet los van elkaar bestaande beginselen, maar getuigenissen van een en de zelfde geest, die echter niet in formule gebracht kan worden, daar zij, als op het ervaarbare leven betrokken feitelijke zielsinhouden betreft, en hiermede haar eenheid van uitspraak inboet.

De algemene gedachte, die de grondslag dezer normen is, zoals zij bijv. de grondslag vormt der tien geboden van het Oude Testament of van de wetgeving van Hammurabi, is de zedenwet, die als zodanig niet het karakter van algemeen geldigheid bezit, doch met tijd en volk samenhangt.

Geen formulering is mogelijk, die ten volle uitdrukking ware van de norm, waar volgens het zedelijk bewustzijn oordeelt.

Dit is zo vanwege de ervaringsfactor, die in de zedelijke wetgeving betrokken is, en die met tijd en volksaard samenhangt.

Vandaar het zedelijk relativisme, waaraan reeds Herakleitos uiting geeft, wanneer hij leert, dat wat in het ene opzicht goed is, in het andere verwerpelijk wordt geacht.

Dit relativisme der zedenwet betekent niet slechts een afhankelijkheid van tijd, volksaard en maatschappelijke orde alleen, maar geldt ook in het persoonlijk leven.

Wij beoordelen onszelf niet steeds naar gelijkblijvende normen.

Het kan zijn dat wij in oprechtheid afkeuren voor onszelf, hetgeen wij voorheen in oprechtheid hebben goedgekeurd; of andersom.

De zedenwet is geen onveranderlijke grootheid, evenmin als voor zedelijk bewustzijn en zedelijk leven een volstrekte aanwijzing te geven is.

Van een volstrekte algemeen geldigheid der zedenwet als had zij ÚÚn en dezelfde inhoud voor altijd en voor overal, is geen sprake.

4.Het leven als opgaaf

Het zedelijk bewustzijn is mensenrede in haar betrekking op de wil.

In deze betrokkenheid neemt het de dubbele gestalte aan van zedelijk oordeel (zelfbeoordeling) en van leidend vermogen.

Van zijn oordeel behoeft het geen rekenschap af te leggen daar het uit geen ander beginsel handelt dan uit zijn eigen innerlijke norm, eigen intu´tie en overtuiging.

Het 'ik kan niet anders', dat Luther op de Rijksdag te Worms sprak, geldt ook hier.

Het zedelijk bewustzijn handelt autonoom en is daartoe gerechtigd.

Het oordeelt over de wil of deze een wil ten goede is, of niet.

Dit oordeel betreft naar aanleiding van aanwezige gezindheden en gedragingen eens mensen levensrichting in haar algemeenheid, die zich verder uitstrekt dan welke gezindheden in het bijzonder ook.

Daarin vraagt een mens zich af, of hij zich op de goede weg bevindt, d.i. of zijn willen, niet zozeer in bijzondere gevallen als wel in hoofdzaak en in dominerende strekking in de richting gaat der eeuwige wereldorde.

In dit opzicht betekent het willen onze levenshouding in haar geheel, zoals de levenshouding van de kunstenaar zich betoont in zijn kunstwillen.

Het zedelijk zelfbewustzijn, de wil betreffende en deze hebbende tot voorwerp van zedelijk oordeel en van zijn levensleiding, stelt daarmee 125

zijn wet aan het leven.

Het is er om te doen, dat het leven de ware richting houdt, en zijn innerlijk gegeven wet in acht neme, bepaald door de wil ten goede.

Het gaat niet om de verwerkelijking van een belang, maar om de vervulling van een opgave, een taak en opdracht.

Hierin is het behorende gelegen. De idealistische zedenleer: zij is gericht op het toekomstige.

Deze uitspraak moet op juiste wijze verstaan worden: met 'toekomst' wordt hier niet bedoeld een later tijdstip, maar het vooruitzicht, het ideaal, dat voorwaarts gelegen is, en zoals de mens vooruit ziet naar de volkomenheid en terugziet naar zijn onmondigheid, vooruit naar de wereldharmonie, en terug naar de chaos.

Dienovereenkomstig wordt in het zedelijk zelfbewustzijn het eigen leven opgevat als een taak en opgaaf.

Onder het gezichtspunt van het behoren is het leven niet een vervolg van toestanden, gebeurlijkheden, ervaringen en wat dies meer zij, maar een mens opgegeven arbeidstaak, een te volbrengen werk.

Deze opgaaf komt niet van elders; niet van enig instituut, staat of kerk of samenleving; te zeggen, dat zij van de Godheid komt, is juist in zoverre al wat is zijn diepste grond in God heeft 'buiten Wien niets kan bestaan noch werken'.

Maar rechtstreeks is deze opgaaf een daad van het diepte-ik aan ons ervaarbaar persoonlijk wezen.

Derhalve zou zij ook geformuleerd kunnen worden: wees uzelf; wees wat gij zijt, d.i. wees in overeenstemming met de waarheid van uw wezen.

Wie deze overeenstemming, deze harmonie van ervaarbaar persoonschap en het diepte-ego verworven heeft, diens leven heeft de ware richting gevonden.

Het zedelijk bewustzijn stelt de mens zijn leven voor ogen onder dit gezichtspunt, het gezichtspunt van taak, opdracht, opgaaf.

Deze opgaaf geldt het leven als geheel, waarin alle levensgebieden betrokken zijn: ten eerste het dagelijkse arbeidsleven, dat naar zijn eis volbracht moet worden.

Niet minder het denkleven, waarbij de mens, naar waarheid zoekend, het zich als schuld zou toerekenen, zo hij het onware voor lief nam. Voor de kunstenaar geldt de opdracht, dat hij zijn kunst dient, niet om het loon, al is hij ook dit waard; en in de religie wordt de Godsverering niet meer gevoeld als religieus, maar als zedelijke eis tevens.

Op deze wijze irradieert het zedelijk bewustzijn zijn taakopgaaf over alle levensgebieden en wordt geheel het leven onder het zedelijk gezichtspunt betrokken.

Het begrip van levenstaak en opgaaf is een begrip, geldend voor het zedelijk bewustzijn, en het zedelijk bewustzijn is praktische rede: theoretische rede, inzicht, begrip, zich wendende tot het willen en in deze heenwending de vorm van het behoren aannemend.

Maar, dit behoren betekent een zijn: de mens wil zoals hij is; zijn zielestaat wordt bepaald door een innerlijke noodwendigheid (necessitas essentiae), want hij vermag niet anders te willen dan met zijn staat van zijn overeenstemt.

Wel ligt het in de aard dezer noodwendigheid, dat hij zich voorwaarts beweegt, want dit ligt in de rede; maar zich te haasten of traag te zijn hangt niet van enig wilsbesluit af.

Ware hier niet van een innerlijke noodwendigheid sprake dan zou het leven een grillig spel zijn zonder inwonende consequentie en waarin alles mogelijk ware.

Het is met de werkelijkheid aldus gesteld, dat het leven de weg gaat, door een innerlijke noodwendigheid gewezen; een weg dus, die van de beginne af in het leven geprojecteerd is en die in dit opzicht naar de oorsprong en levensgrond terugwijst.

Aan dit verdiepte begrip van noodwendigheid ontleent het zedelijk bewustzijn zijn recht tot vooruitzicht op het in de lijn dezer noodwendigheid gelegen ideaal, zijn recht om uit dit gezichtspunt het eigen leven op te vatten als een taak en opgave.

Wij zouden niet bekwaam zijn om het leven als een taak op ons te nemen, zo wij niet konden vertrouwen op deze innerlijke noodwendigheid, d.i. op een kracht, die uit de diepte van ons wezen opwelt en in ons werkzaam is; en deze kracht zou niet bestaan, indien wij niet geworteld waren in de wereldorde, die aan al wat bestaat ten grondslag ligt.

Wereldorde is wil van God.

Zo kunnen wij uitspreken, dat wij ons leven als een te vervullen taak op ons nemen in het vertrouwen op God, die ons bekwaam maakt om deze taak te vervullen, doordat hetgeen in ons leeft, zijn oorsprong heeft in Hem.