|
KRISHNAMURTI: JEUGD EN
BEWUSTWORDING ZIJN VERLICHTING Op 17 augustus voelde ik een
brandende pijn in mijn nek en ik moest de duur van mijn meditatie tot vijftien minuten
terugbrengen. Ik had gehoopt dat de pijn zou afnemen, maar zij werd steeds heviger. Op de 19e bereikt zij een hoogtepunt. Ik kon niet denken, geen andere
dingen meer doen en vrienden dwongen mij in bed te blijven. Ik raakte haast bewusteloos, hoewel
ik precies wist wat er in mijn omgeving gebeurde. Steeds kwam ik omstreeks het
avondeten weer bij kennis. Op de eerste dag dat ik in deze
toestand verkeerde, beleefde ik de eerste buitengewone ervaring. Er was een man de straat aan het
maken. Deze man was ikzelf, de houweel die hij gebruikte was ikzelf en de stenen die hij opbrak vormden eveneens een deel van mijzelf. Het gras daartussen was deel van mijn
wezen en de boom aan de kant eveneens. Ik kon mij bijna geheel in de
gedachten en de gevoelens van de stratenmaker inleven; Ik was de wind die door de bomen
waaide en eveneens de kleine bij die op een grassprietje zat. De vogels, het stof en zelfs het lawaai waren een deel van mij. Vervolgens kwam er in de verte een
auto aan; ik was de bestuurder, de motor en de banden; toen de auto in de verte verdween,
verdween ikzelf. Ik leefde in alles of anders gezegd
alles was deel van mij, het onbezielde en het bezielde, de berg, de worm en alles wat
ademde. De hele dag verkeerde ik in deze
gelukzalige toestand. Ik kon niets naar binnenkrijgen en omstreeks zes uur maakte mijn bewustzijn zich los van mijn fysieke lichaam en vanzelfsprekend deed het fysieke elementaal (= een functie van het lichaam die de instinctieve en puur lichamelijke bewegingen mogelijk maakt, indien het hogere bewustzijn zich heeft losgemaakt.
Deze functie behoort tot een lager
evolutiestadium en dient te worden bestuurd)waar het zin in had. Ik was halfbewust. De volgende morgen was mijn toestand
dezelfde als een dag tevoren en ik kon niet velen dat er mensen in mijn kwamen.
Ik ondervond de uitwerking van hun aanwezigheid op een nogal merkwaardige manier en hun vibraties brachten mij geheel van streek. Diezelfde avond om zes uur voelde ik
mij allerberoerdst. Ik kon niet verdragen dat er iemand
in mijn buurt kwam of mij aanraakte. Ik voelde mij buitengewoon moe en
slap. Ik geloof dat ik huilde van
uitputting en gebrek aan fysieke beheersing. Mijn hoofd was loodzwaar en ik had
het gevoel alsof er voortdurend kleine speldjes in mij werden geprikt. Terwijl ik in deze toestand verkeerde
voelde ik dat het bed, waarop ik ook de vorige dag had gelegen, onbeschrijflijk vies en
smerig was en ik kon er niet langer op blijven liggen.
Plotseling bemerkte ik dat ik op de
grond zat en Nitya en Rosalind zeiden dat ik weer in bed moest gaan liggen. Ik vroeg hun mij niet aan te raken en
schreeuwde dat het bed niet schoon was. Dit hield ik een tijdje vol, totdat
ik mij naar de veranda begaf, waar ik een paar minuten uitgeput en ogenschijnlijk kalmer
heb gezeten. Ik begon weer een beetje tot mezelf
te komen en tenslotte gebaarde de heer W. mij onder een peperboompje te gaan zitten, dat
vlak voor het huis stond. Daar zat ik met gekruiste benen in
meditatiehouding. Na een tijdje zo gezeten te hebben
voelde ik dat ik uit mijn lichaam trad en zag mijzelf zitten onder een dak van mooie, tere
blaadjes. Ik zat met het gezicht naar het
oosten. Voor mij bevond zich mijn lichaam en
boven mijn hoofd zag ik een ster die helder straalde. Plotseling voelde ik de vibraties van
de Boeddha. Ik kon de Maitreya Boeddha en Meester
KH onderscheiden. Ik voelde mij zeer gelukkig, kalm en
vredig. Ik zag nog steeds mijn lichaam en
zweefde ergens in de buurt. Er heerste een zeer diepe rust zowel
in mijzelf als in de ruimte, een rust die veel weg had van de onpeilbare diepte van een
meer. Ik voelde dat mijn lichaam net zoals
het meer aan de oppervlakte weliswaar in beroering kon worden gebracht, maar er was
absoluut niets dat de kalmte van mijn ziel verstoren kon. Slechts een ogenblik waren de
verheven wezens in mijn omgeving aanwezig daarna verdwenen zij weer.
Ik was buitengewoon gelukkig met
hetgeen ik gezien had. Zo'n ervaring is onvergelijkbaar. Ik heb mogen drinken van het zuivere
water dat de bron vormt van de levensfontein en mijn dorst was gelest. Nooit zal ik nog in duisternis leven. Ik heb het Licht gezien. Ik heb een glimp opgevangen van het mededogen dat aan alle zorg en lijden een einde maakt; het is er niet voor mij maar voor de wereld. Ik heb op de top van de berg gestaan en de machtige wezens aanschouwd. Nooit zal ik meer in duisternis leven. Ik heb het glorieuze en bevrijdende
Licht gezien. De bron der Waarheid is mij onthuld
en duisternis is hiermede verdreven. Liefde in al grootheid heeft mijn
hart beroerd; mijn hart zal nooit meer gaan. Ik heb gelaafd aan de bron van
Vreugde en eeuwige Schoonheid. Ik ben dronken van God.
|